Werkgroepen

Nieuwsarchief

Statistieken

  • 104
  • 136
  • 92.940

Facebook

s-image

Geschiedenis

Historische Stadskroniek

Bijgaande artikelen zijn geschreven door Derk Westerhof en verschenen van 1979 t/m 1981 in de Hasselter Courant. De artikelen zijn ook een kwart eeuw later nog een onschatbare bron van historische informatie. We willen de auteur dan ook hartelijk bedanken dat hij toestemming heeft gegeven om de teksten op deze manier beschikbaar te stellen.

De volgorde van de artikelen correspondeert met de volgorde waarin ze in de krant zijn gepubliceerd. Destijds verschenen echter per abuis twee artikelen onder nummer 22, waardoor de reeks eindigde met nummer 39. In deze publicatie is gekozen voor een doorlopende nummering: dus van 1 t/m 40.

Afgezien van een aantal voetnoten en de correctie van storende spel- en zetfouten, is de tekst integraal overgenomen. Voor de duidelijkheid zijn alle artikelen voorzien van een kop, terwijl in de oorspronkelijke opzet alleen de eerste acht artikelen van een kop waren voorzien.

toparrowVestiging en groei van Hasselt

Hasselt ligt aan het Zwarte  Water. Dit water had vroeger een open verbinding met de Zuiderzee. Hasselt werd als zodanig een handige plaats voor de scheepvaart, voor aanvoer en doorvoerhandel. De inwoners vestigden zich daarom ook aan de rivierzijde. Als oudste gedeelte van Hasselt valt aan te wijzen het gebied Ridderstraat, Markt en Hoogstraat. Over het verdere ontstaan in de vroegste periode zullen we hier niet schrijven.Vestiging Hasselt

Hasselt lag in een gebied dat geregeerd werd door de bisschop van Utrecht (Het Sticht), namelijk Het Oversticht. Daar de bisschop bij vijandelijke invallen zelf niet zo gauw ter plaatse kon zijn met een leger moest hij in het Oversticht bondgenoten hebben. Zo hielpen in 1227 ridders uit Hasselt hem tegen opstandige Drenten (Slag bij Ane). Ook waren er machtige edelen die tegen hem opstonden (Van Eerde, Van Voorst, Van de Rutenborg, enz.). Voor de hulp die de steden gaven en tevens om zich van hun trouw te verzekeren, gaf hij die stadsrechten.

Omstreeks 1252 kreeg Hasselt stadsrecht van bisschop Hendrik van Vianden (straat!). Wat eerst een nederzetting was werd nu een stad. Het principe van de middeleeuwse burcht ontstond. Er kwam een ommuring met daar om heen een gracht en daarbuiten vaak weer ophogingen (wallen). De eerste ommuring van de stad moet voor de oude gracht zijn geweest, het gebied Keppelstraat, Prinsengracht en Brouwersgracht. Hierdoor konden inwoners veiliger wonen.

De stad kreeg ook handelsvoorrechten: vrijdom van tol in Twenthe (1328) en recht op week-en jaarmarkten (1357). Zie hier waarom men graag in Hasselt burger werd. Hasselt deed ook mee in het grote Hanzegebeuren. Toen er in 1367 in Keulen een Hanzevergadering was, werd ook Hasselt onder de steden genoemd. Zo werd er onder andere handel gedreven in koren en haring. Werd je burger van de stad, dan kreeg je rechten en plichten. Deze waren vastgelegd in een stadsboek. Dat van Hasselt werd congeveer begin 1400 gemaakt (nu nog te zien in het stadhuis). Onder de burgers waren veel edelen met veel invloed in andere plaatsen.

Hasselt groeide buiten de oude stadsmuren. Zo kwam er een tweede stadsuitleg; een nieuwe ommuring met grachten, het gedeelte Kastanjelaan en Eikenlaan (voormalige binnengracht).

Niet alleen burgers werden gehuisvest. Dikwijls was er ook een garnizoen. In de 16e eeuw soldaten om te strijden tegen de Geldersen en Spaanse legers tegen de Staatsen. In 1590 kwam Prins Maurits met een leger. Door dit bezoek werd Hasselt een echte vestingstad. Begin 1600 werden er muren, poorten en nieuwe bolwerken gebouwd. Bestemmingen van huizen veranderden in de reformatieperiode (na 1580) en namen van straten veranderden. Geloofsvervolgden konden hun intrek nemen in Hasselt. Veel gebouwen werden vernield en beschadigd tijdens de Munsterse Oorlog (ca.1655&8209;1675). Van 1795 tot 1808 had Hasselt ook nog Franse inkwartieringen.

U ziet het, Hasselt heeft geschiedenis. In een serie artikelen zullen we hierop terugkomen en een plattegrond geven van Hasselt.

toparrowHet Burgemeester Royerplein

Er zijn veel manieren om Hasselt binnen te komen. Mag ik u eens meenemen in het verleden?

Er is een weg waardoor Hasselt belangrijk was. Die weg is het Zwarte Water. In het verleden voeren schepen aan en meerden aan de kade. De mensen gingen van boord en dan stonden ze voor de stadsmuren.

Wie ook voor die stadsmuren kwamen? Dat waren reizigers uit de richting Mastenbroek en Zwolle van de overkant van het Zwarte Water. Deze reizigers hadden de mogelijkheid om aan te gaan bij de herberg “De Koestart” die daar al in 1675 stond. Daarna werden ze per veer overgezet.  BurgRoyerplein

Waar het veer uitkwam bij de stad, was een poort. Deze poort werd dan ook de Veerpoort genoemd en was de voornaamste ingang aan het Zwarte Water. Hierachter lag een nauwe steeg: De Veersteeg (al vanaf 1520). Waar reizigers vaak naar uitzien is een plek om te overnachten of om iets te eten of te drinken.

Zo stond er direct bij de ingang van de poort, links, de herberg “Het Witte Kruis” (al vanaf 1611). Hoe de situatie er toen ongeveer uitzag was als volgt: Eerst herberg “Het Witte Kruis”, daarna een huis en erf met brouwerij met een gang daarachter en vervolgens een huis genoemd “De Groninger Toren” (1744). Rechts in de Veersteeg stonden onder andere twee huizen met een pannenbakkerij. Hoe nauw de Veersteeg was kunnen oud-inwoners nog wel vertellen. De boeren konden er met de hooiwagens amper door. Het bezoek van Prins Maurits in 1590 had tot gevolg dat ook de Veerpoort hersteld werd.

In 1606 wordt verhaald: “De transtoren ande veerpoort is weder opgemetselt, op de voerpoort gemaekt een eiken solder om boven over te schieten”. Zonder oorlogsgeweld is de Veersteeg niet gebleven. De 24e mei 1657 was er een beleg door Zwolle en Kampen. Hiervoor legde men een muur voor de Veerpoort zodat men niet zo maar met een kanon in de Veersteeg kon schieten. Het volgende wordt ons bericht van de invallen van de Munsterse troepen: “Een panwerck staende an de Veerpoorte is door de militie van de bisschop van Munster totaliter onder de voet gesmeeten en ten eenemael geruineert en in stucken geslagen”.

De meeste panden in de Veersteeg kwamen in de loop van de 18e en 19e eeuw in het bezit van de familie Weener, herbergiers en pachters van het veer. Het is best mogelijk dat het pand vanaf Burgemeester Royerplein (nr.13) nog overblijfselen zijn van de oude herbergen. Het gehele pand was vroeger bekend als café Gloerich. Dit pand moet voorheen de herberg van Jan Weener geweest zijn. Hier kwamen allerlei gezelschappen. Zo kwam aan het eind van de 18e eeuw een leesgezelschap “De Eendracht” met een verzoek aan de raad om een stuk uit de stadsmuur weg te breken zodat zij in het café van Jan Weener een mooier uitzicht hadden.

De Veersteeg is later genoemd naar J.P. Royer, oud&8209;burgemeester der gemeente Hasselt en werd het Burgemeester Royerplein en was vanaf ongeveer 1914 stationsplein. Hier stopte de tram.

De Veerpoort werd in 1827 afgebroken. Op die plek bleven nog twee beelden staan, die leeuwen voorstellen. Bij hoge waterstand werden vaak schotten tussen de beelden geplaatst om het water te keren. Eén van deze beelden is nu nog te zien. Het andere beeld hebben, naar men mij vertelde, de Duitsers aan het eind van de Tweede Wereldoorlog doen springen.

toparrowHoogstraat (1)

De vorige week waren we in de Veersteeg en nu wandelen we de Veersteeg uit om aan het eind hiervan links af te gaan. We komen dan in de Hoogstraat (al vanaf 1557). Hoe ze die straat zo hebben kunnen noemen laat zich makkelijk raden. Gaat u maar eens weer terug naar het begin van de Veersteeg. U ziet het: Langs het water is het veel lager. De straat ligt hoger dan het woongebied vandaar dat de burger zei: “De Hoge Straat”. Hoogstraat (1)

Wat bij het begin van de Hoogstraat al direct opvalt is een logement. Dit logement heeft niet altijd dezelfde naam gedragen. In het begin van de 17e eeuw noemde men het “Het Rode Hart”. Dit was geen ongebruikelijke naam. Die kwam ook voor te Zwolle. Het logement was in handen van het geslacht “Van Benthem”. Dit geslacht had meerdere herbergen. Het Rode Hart bleef familiebezit tot 3 januari 1747.

Het logement kwam in het bezit van een predikant die hier te Hasselt gestaan heeft (1715&8209;1734 ovl.). Deze predikant “Zacharias Spies” was gehuwd met Cath. Elsabet van Benthem. Zij verkocht in 1747, als weduwe van de voornoemde predikant, het logement “van ouds het Roohart en nu de Herderin genomt” aan Antonij van Veen. Ik heb in buurtsteden gezocht naar een gelijknamige herberg maar ik heb die niet gevonden. Het is wel logisch om een pand van de weduwe van een “herder” de Herderin te noemen.

In 1793 werd het verkocht door Gosen Jan van Berkum en zo kwam het in handen van de familie Drost (Berend Drost Kl.zn.). In deze herberg (het begin van wijk B.) werden publieke verkopingen gehouden. Hier zaten de notarissen van ouds hun zaken af te handelen. Zo verkocht notaris G. Freislich in 1840 ’s avonds aan de meest biedende dit logement. Nadien werd het enkele jaren “De Jonge Herderin” genoemd, maar het bleef “De Herderin”.

Het pand erachter in de Hoogstraat was in 1811 van de winkelier Jan Bax. Vervolgens kwam er een pand dat een brood&8209;, banket&8209; en koekbakkerij was (Hoogstraat 7). Hierna kwam een pand dat in het bezit was van een schoolhoudersche (Hoogstraat 9). Verder zou ik u de situatie in 1811 kunnen geven. Eén van de huizen vanaf de Markt tot Hoogstraat 33 was vroeger de Stadswaag (na 1624).

Kijken we naar de overzijde van deze rij huizen, dan valt meteen Hoogstraat 12 op. Dit gotische huis heeft omstreeks 1640 een nieuwe voorgevel gekregen en het huis bevat nog middeleeuwse overblijfselen. Men vermoed dat hier Perogrinus Barmentlo gewoond heeft. Hiervan zijn nog wiegendrukken bekend. Deze man oefende in 1476 nog de boekdrukkunst te Napels uit, maar van 1480&8209;1490 te Hasselt.

Het pand Hoogstraat 8 was in 1832 in het bezit van de leden der sociëteit “Het Nieuwverbond”. Na het pand Hoogstraat 12 komt de Meestersteeg. Waarom dit zo genoemd is, is mij niet duidelijk. Het is mogelijk dat er allemaal meesters gewoond hebben zoals een meester metselaar of een meester schoenmaker. Dit is een titel in een gilde. Je moest als leerling een proefstuk afleveren alvorens je meester werd.

Het laatste pand waar ik u op wil wijzen is het pand Hoogstraat 24 (in 1753 in het bezit van Hericus van Egten en in 1811 van de grutter Gerrit Lindeboom). Dit pand heeft een gevel met twee eenhoorns, een jaartal 1611 en de afkorting Jan H. Er is geen bewijs voorhanden om te vertellen wat het voorstelt, maar ik wil u wel mijn gedachten erover weergeven: Het is mogelijk dat er in dat pand iemand uit Vlaanderen gewoond heeft en wel een drogist. Zoals wij in Nederland een Gaper hebben voor een drogist, zo hadden ze in Vlaanderen “De Eenhoorn”. Dit beeld is ontstaan als volgt: Vroeger hield men het slijpsel van allerlei vreemde door ontdekkingsreizigers meegebrachte hoorns voor die van een Eenhoorn en daaraan werd een zeldzame geneeskracht toegeschreven.

Zo nu lijkt het me verstandig om even te rusten, de volgende keer hopen we verder de Hoogstraat in te wandelen.

toparrowHoogstraat (2)

We hebben de vorige keer gekeken naar Hoogstraat 24 en nu gaan we kijken naar het terrein hoek Hoogstraat (26) / Raamstraat. In 1391 hebben schepenen en raad van Hasselt hier ook naar gekeken en besloten er een gasthuis te bouwen. Een gasthuis diende meestal voor het opnemen van zieke en arme mensen. Schepenen en raad dachten ook aan de geestelijke verzorging van die mensen. Dit alles deden ze omdat het in Zwolle ook gedaan werd. Ze namen het Zwolse gasthuis als voorbeeld. Zo vroegen ze in 1391 aan Lubbertus Johannis, pastoor te Hasselt, toestemming voor het benoemen van een priester, die dagelijks een mis zou lezen evenals dit in het Zwolse gasthuis gebeurde. Voor de stichting van het gasthuis was ook de toestemming van het bisschoppelijk gezag te Utrecht nodig. Die toestemming werd verkregen in 1393.

Het gasthuis had een kapel die gesticht was ter ere van De Heilige Geest (De Heilige Geestkapel). Die benaming ging over op het gasthuis (Het Heilige Geestgasthuis). Dit gasthuis kreeg veel goederen door schenkingen. Het beheer hiervan was opgedragen aan z.g. gasthuismeesters. Deze werden benoemd door schepenen en raad en zij moesten jaarlijks aan de raad rekening en verantwoording doen.

Naast het gasthuis ziet u de Raamstraat. Deze straat werd vroeger de Gasthuissteeg genoemd. Aan het eind van deze steeg, aan de waterzijde, lag een poort die de Gasthuispoort genoemd werd.

Het gasthuis bleef zijn functie behouden tot na de reformatie. In 1422 werd het bijna door brand verwoest. Er was een brand in de Hoogstraat blijkens het volgende bericht “In desen jaer brande Hylle Egberts huus en daer van brande die huse voert die daer by stonde an dye hillige geest”. De Gasthuissteeg werd uiteindelijk Raamsteeg. Omstreeks 1600 kwamen geloofsvervolgden uit Pfalz in Duitsland te Hasselt en vestigden zich bij de Gasthuissteeg. Het waren voornamelijk linnenwevers en als zij hun weeframen gingen spoelen en drogen gingen zij door de poort naar het water. Zo ontstond de naam “Raampoort” en de “Raamsteeg” (al vanaf 1614).

Na 1617 werd elders een gasthuis opgericht. Het oude gasthuis werd nu voor diverse zaken gebruikt. Zo werd er gebruik van gemaakt door de gilden, die er een gildekamer hadden voor vergaderingen. De ruimte werd benut voor huisvesting van soldaten.

Zo werden in 1635 soldaten opgenomen die de pest hadden. De krijgsraad had hier een kamer om vergaderingen te houden.

In 1725 werd het gebruikt voor kerkdiensten blijkens het volgende bericht van B.S. en Raad van Hasselt d.d. 19 mei 1725. “Is goedgevonden en verstaan dat de predikdienst in dese seer bedroefde dagen waer in wij door Godts regtveerdig oordeel van seer swaren brand veroorzaakt door donder en weerligt van onse Tooren en kerke syn beroofd geworden bij provisie sal worden gedaen en waergenomen op ’t oude Gasthuys en dat ten dien ende ’t klockge van ’t Raadhuys even als in de kerke gebruyckelyk is geweest, sal worden geluydet versoeken derhalven Broeders en susters van onse gemeente alsden met haer huysgesinnen te willen vergaderen om God den Heere van ganscher herten vuuriglyk te henen en om syn genade en bijstand te smeken opdat alle welverdiente plagen wyders van dese Stad en Burgery mogen worden afgewend.”

In 1748 en 1763 werd het gebouw benut door de R.K. gemeente. Het werd door al de jaren heen gebruikt als wapenmagazijn. Hierbij zal voornamelijk gebruik gemaakt zijn van de kelders. In 1796 diende de R.K. gemeente een verzoek in om het gebouw te mogen gebruiken, dat toen rijksarsenaal was. In 1809 werd dat toegestaan. Het geheel werd verbouwd tot kerk met een woning voor de pastoor er achter.

Een vierkante toren kwam te staan in het midden van het gebouw tussen de kerk en pastoriehuis met een luidbel. In de volksmond heette de Raamsteeg toen pastoorssteeg of patersteeg.

Zo dit is voor u nu wat bekender geworden en om niet eenzijdig te worden zullen we hopelijk de volgende keer naar de andere zijde van de Hoogstraat kijken.

toparrowHoogstraat (3)

De vorige keer hebben we gekeken naar het pand Hoogstraat 26 en nu gaan we even met de rug daar naar toe staan en we zien Hoogstraat 33. Dit pand, evenals het terrein erachter tot aan de Hofstraat toe, heeft toebehoord aan het Heilige Geestgasthuis. Hoogstwaarschijnlijk werd daar in 1393 al een kapel gebouwd op een hofstede. Voor het gebruik moest het gasthuis een jaarrente betalen van vier pond aan Wolter Bouman. De stad nam die uitgaven over in 1393. Deze kapel groeide uit tot een kerk (De Heilige Geestkerk). Men vermoedt dat de plaats ook dienst gedaan heeft als strafkolonie voor een klooster. Monniken zouden als straf daar enige tijd hun verblijf hebben moeten houden. In het midden van de 16e eeuw kreeg Jacob van Deventer opdracht van de koning van Spanje om diverse Nederlands vestingsteden in kaart te brengen. Dit gebeurde ook met Hasselt. Op de kaart van Hasselt is de Gasthuiskerk duidelijk te zien. Het stond met de voorzijde, dus met de toren, aan de Hoogstraat. 03 Hoogstraat (3)

Toen kwam de reformatie ca. 1580. Het pand is toen voor een deel afgebroken en men veranderde de bestemming van het pand. Bij de restauratie van het pand zijn nog wel overblijfselen van de vroegere bestemming gevonden. Er kwam een stadswaag in. In een tijd dat er veel met gewichten geknoeid kon worden, werden er van overheidswege wagen in gebruik genomen waar men diverse goederen kon laten wegen. Dit was ook zo in Hasselt. De waag was een grote balans waar men gewichten bij gebruikte. De waag werd door de stad verpacht aan iemand die voor zijn werk een eed af moest leggen voor het stadsbestuur. De tarieven van de waag werden in een contract vastgelegd. De waagmeester had ook vaak het telambt erbij. D.w.z. dat hij zakken met koren, turven en andere koopwaren moest tellen. De waag was er gevestigd tot ca. 1617.

De grond achter de waag werd in 1618 gebruikt om er woningen neer te zetten voor “olde arme vrouwen”. (De zeven huisjes). In 1624 werden die woningen door Willem Egberts erfelijk aan de armen der stad toegestaan. Let u eens op de achterste gevel in de Hofstraat, dan ziet u een gebruik van de muurankers om een jaartal weer te geven. Van een van de muurankers is een zeskant gemaakt en zo ziet u het jaartal 1611.

In 1624 kwam er in het pand Hoogstraat 33 een rosmolen. Dit is een molen die door een ros (een paard) in beweging gebracht wordt. Van toen af kreeg de straat ernaast de naam “Rosmolensteeg”. De rosmolen bleef er nog jaren in gevestigd. Door de invallen van de Munsterse legers werd de rosmolen beschadigd en moest opnieuw gemaakt worden. In 1754 wordt en melding gemaakt dat er een pomp bij de rosmolen stond. De rosmolen had ook een stal voor paarden en als er troepen in Hasselt waren dan werd ook van deze stal gebruik gemaakt. Het pand verviel, een gedeelte brandde af en het zou niet zo mooi geweest zijn als de vereniging “Hendrik de Keyser” het niet gerestaureerd had.

Zo nu zullen we eens zien of de ene voet nog voor de andere wil en wandelen we verder.

toparrowHoogstraat (4)

Zo, om u zich niet blind te laten staren op de Rosmolenstraat zetten we onze trimactie voort en dan gaan we een heel eind verder naar de Hoogstraat op en we gaan kijken naar wat een latere bestemming van enkele panden. Laten we eens gaan kijken naar een groot scholencomplex. Het betreft de panden Hoogstraat 47 (1802) aan de rechterzijde en Hoogstraat 40 t/m 44 aan de linkerzijde. Dit waren allemaal scholen, waaronder kostscholen waarbij Hoogstraat 47 als de Franse Kostschool bekend stond. Op deze scholen vond jaarlijks een openbaar onderzoek der leerlingen plaats. Dat hield in dat allerlei belangstellenden erbij aanwezig konden zijn zoals ouders. Dan was er een prijsuitdeling aan de vlijtigste en aan de door goed gedrag meest uitmuntende leerlingen.

In 1824 werd aan het vakkenpakket van o.a.: Frans en Hoogduits, Nederlands ook de Latijnse taal toegevoegd. Tijdens het onderzoek werd de prijsuitdeling voorafgegaan en afgewisseld door “Orgel&8209; en Instrumentaal Muziek” terwijl de leerlingen ook beurtzang lieten horen.

In 1825 werd de gemeente Hasselt getroffen door een storm en overstroming. Op de Fransche en Nederduitse school werd een inzameling gehouden onder de zestien leerlingen, die f 9,15 opbracht. Dit geld werd aangeboden met de volgende versregels:”Bij hen die lijden z.c., en geen erbarming voedt. Daar vloeit geen Nederlandsch, maar Uitlandsch bastaard bloed”.

In 1830 werd de Franse kostschool te koop aangeboden. In 1833 vond er een onderzoek op het scholencomplex plaats (6e schooldistrict). Het complex was als volgt verdeeld: Een stadsarmenschool met een lokaal voor 70 kinderen. Een stadsburgerschool met een minder goed lokaal voor 140 scholieren. De onderwijzer hiervan werd beschuldigd van onbestendigheid in het onderwijs. Een Fransche dag&8209; en kostschool, toen met 24 scholieren waarvan 10 in kost. In de klassieke talen kregen ze les van de letterkundige Jacob Theodoot Buser. De Groninger hogeschool benoemde hem, honoris causa, tot doctor in de letteren. Hij schreef o.a. “Krijgsgezangen en Klaroengalmen”.

In 1835 vertrok de heer H.C. Regger als hoofd van de school naar Schoonhoven. De onderwijzers werden door het gemeentebestuur benoemd. Er werd dan ook een advertentie geplaatst: Vereisten: Hij mocht niet minder dan de tweede rang bezitten, moest bewijzen hebben van goed en zedelijk gedrag. Geboden werd: Behalve de schoolgelden een jaarlijks inkomen van f 400,&8209;&8209; en vrije woning. Hij moest ook les kunnen geven in de Muziek&8209; en Danskunst. In 1836 werd als voordeel van de kostschool genoemd “Het ruim toedienen van goed gezond voedsel en drank en de gezonde ligging van de school”.

Zo na deze hele lange wandeling zult u wel even willen rusten, gaat u maar even zitten dan blijven we hier nog even.

toparrowHoogstraat (5)

Bent u met uw rug naar Hoogstraat 47 gaan zitten? Dan heeft u nu het zicht op de panden Hoogstraat 40 t/m 44. Achter deze panden tot aan de Raamsteeg lag in het verleden een bolwerk (een verdedigingswerk). Hoe dat er uitzag kunt u zien op de stadsplattegrond van 1650, die hangt in de hal van het stadhuis. Dit bolwerk werd genoemd het bolwerk op het Raam of waarschijnlijk “Het Schippersverdriet”.

Nu moet ik u vertellen dat er in de Hoogstraat enkele weeshuizen geweest zijn. Daar zijn al diverse suggesties over geweest en daar wil ik graag mijn suggestie aan toevoegen. In 1582 besluiten B.S. en R. van Hasselt tot het oprichten van een weeshuis. Dit weeshuis stond in de Hoogstraat blijkens de kasboeken van het weeshuis, die nu nog aanwezig zijn. Deze kasboeken geven ongeveer de plaatsbepalingen weer. De onderwijzer van Hasselt, Pieter van Tol, schreef in een van deze boeken achterin (ca. 1746). “Te hebben wel gedaan, waar mijnes herten wensch, is ’t nog niet zoo ’t zouw, denkt dat ik ben een mensch”, volgens die boeken was er een weeshuis, met daarachter een wesenschuur met daarnaast een tweede weeshuis.

Hoogstraat (5)

In de 17e eeuw wordt er gevraagd of er een borgerschildwacht bij het bolwerk achter ’t weeshuis mocht staan. In 1660 blijkt er in de Hoogstraat een Wesensteeg te zijn. Dus voor een plaatsbepaling moeten we uitkijken naar een onbekende steeg in de Hoogstraat. Nu, die steeg was er. Die steeg liep dwars door de panden Hoogstraat 40 die er links van lag en Hoogstraat 42 (die er misschien later opgebouwd is) en 44 heen. In latere tijd (begin 1800) werd dit de Apothekersteeg genoemd.

Het weeshuis werd met alle bezittingen in 1797 aan de heer P.D. Suerdfeger verkocht. Van deze persoon viel niet veel te achterhalen, maar wel het volgende bericht: In 1803 verkochten de erfgenamen van burgemeester Gerrit Bode aan Reinier v.d. Vecht hun huis waar aan de ene zijde P.D. Suerdfeger woonde. Het pand van Reinier v.d. Vecht, was Hoogstraat 40, dus Hoogstraat 42 en 44 komen in aanmerking als Weeshuizen. Door de eeuwen heen moesten de bewoners van Hoogstraat 40 ook recht van uitgang aan de wezen betalen. Dit pand was aldoor familiebezit vanaf 1740. Eerst woonde er burgemeester Jacobus van Zuylen, later zijn schoonzoon burgemeester Gerrit Bode en later weer diens schoonzoon Reinier v.d. Vecht. Een familieportret hiervan (misschien wel in hun woning geschilderd) hangt in het gemeentehuis.

Links van dit huis ziet u een open ruimte. Dit kan kloppen. Naast het pand van burgemeester Van Zuylen stond vroeger een pand die “De Ekkelboom” heette. Dit pand werd afgebroken en er werden bomen geplant.

Naast het Weeshuis, rechts stond weer een pand, dat dienst deed als herberg, waar men de paarden kon uitspannen en verzorgen gezien de naam “De Roskam”. Hiernaast lag waarschijnlijk weer een pand dat “Het Witte Paard” heette. Het derde weeshuis lag waarschijnlijk bij de Keppelstraat.

In het verleden had een herbergier vaak bekendheid. Zo kon het gebeuren dat ze vaak belangrijke functies hadden. Vanaf ongeveer 1628 moesten de mensen in Hasselt een soort belasting betalen dat vuurstedengeld heette. Een erg handige belasting, want elk mens heeft wel stookwarmte nodig zodat ze een aanslag kregen voor het aantal vuursteden dat men had. Zo bleek dat De Roskam in het bezit was van Jan Wichers. Deze man is een tijdlang burgemeester geweest.

Zo, nu wil ik graag met u de Hoogstraat uitwandelen en zullen we de volgende keer eens een andere straat bekijken. Er is nog wel meer over de Hoogstraat te vertellen, maar er is nog niet voldoende bewijsmateriaal. Om u toch nog een naam van een huis uit de Hoogstraat te geven: dat was “De Klocke”. Zo wandelt u mee verder?

toparrowKeppelstraat (1)

Zo loopt u maar eens mee de Hoogstraat uit. Aan het eind ziet u een merkwaardige kromming, hierin kunt u nog de vorm zien van de oude stadsvorm. Waar de garage was, stonden vroeger enkele armenhuisjes. Dan ziet u nu rechts de Keppelstraat. Nu is het erg moeilijk om een totaal veranderde situatie te voorschijn te toveren, toch zal ik een poging hiertoe doen.

De Keppelstraat dankt zijn naam aan het feit dat de straat leidde naar een bepaald huis toe. Dit huis was het Keppelhuis. Via de Keppelsteeg en de Keppelbrug kwam men bij dit huis dat aan het burgemeester&8209; en schoutengeslacht Keppel hoorde. Het was waarschijnlijk het eerste huis aan de Baangracht. In het verleden was de Keppelstraat alleen aan de rechterzijde bebouwd. Aan de linkerzijde waar nu een rij huizen staat liep toen de oude stadsmuur. Daar weer links van liep de stadsbinnengracht die door liep tot ongeveer daar waar nu de nieuwe brug ligt en uitkwam tezamen met de buitengracht in een zijarmpje van het Zwartewater (De Streng). De stadsmuur liep hier evenwijdig mee binnendoor tot dat hij rondliep bij het Justitie Bastion.

Nog even iets over de Keppelstraat, hier was eens de kapperszaak van “Van Lingen” met als uithangbord een opschrift, dat ongeveer als volgt was: “Die zacht wil zijn geschoren, komt zaterdags of een dag van tevoren, maar die mij zondags komt bezoeken, vondt stompe messen en vuile doeken”.

In de Keppelstraat, recht middenin ligt een pand dat van Adolf Frederick de L’Espinasse was, die medicinal doctor was. Deze man kreeg in 1834 van Z.M. de Koning een gouden medaille met de vermelding: “dat deze geneesheer zedert jaren alle koepolientingen geheel belangeloos verrigt”.

De Keppelstraat met het gebied er achter naar de Kalverstraat werd als varkensmarkt gebruikt. In de volksmond heet het nog: “De Varkensmarkt”.

De Keppelstraat en de Hoogstraat kruisten in het verleden elkaar en op dat punt stond vroeger een poort in de stadsmuur. Die poort was de Venepoort (de oude). Buiten die poort lag een bolwerk, waar nu ongeveer de scheepswerf is. In dit bolwerk op één van de aarden rondingen zette Johan Wilmpsen van Appelscha een windmolen buiten de Venepoort. Vandaar dat het jachthavengebied de Molenwaard heet (Een waard is een laaggelegen stuk land tussen rivieren).

Omstreeks 1621 werd elders een nieuwe poort gebouwd. (zie: Hoofdstuk 9). Toen ontstond er een situatie van een binnen&8209; en buitenpoort. De buitenpoort kreeg langzamerhand de naam: “Venepoort”. De binnenpoort, dus de oude poort, gaf toegang tot de molen en kreeg de naam “Moelenpoort” of wel “Molenpoort”.

In 1825 werd de stad getroffen door een storm&8209; en overstromingsramp. De Ringdijk brak door en het water kolkte naar binnen. Er lag bij de Venepoort en joodse begraafplaats. De lijken en kisten spoelden gewoon landinwaarts. De kolken die u nu nog ziet zijn hierdoor ook ontstaan. Sinds die tijd (1825) is de Israëlitische gemeente dan ook een nieuwe begraafplaats in het Bolwerk toegewezen. Zo de volgende keer hopen we de buitenpoort (De nieuwe Veenepoort) te beschouwen.

toparrowKeppelstraat (2)

Zo hopelijk is het voor u niet al te verwarrend. We gaan weer terug naar het begin van de Keppelstraat, dan komen we aan het eind van de (voormalige) Hoogstraat. Als we in het verleden de stad uit wilden dan moesten we eerst door De Molenpoort (De oude Veenepoort) door een bolwerk en tevens over de binnengracht. Langs het bolwerk boog de weg zich dan naar rechts. Deze weg liep tussen de binnengracht en de buitengracht in en volgden we deze weg dan kwamen we bij de Veenepoort. Deze poort heeft ongeveer gelegen daar waar nu de fietsenstalling van de bushalte is aan de weg naar Zwartsluis. Ging je door die poort dan moest je weer over een brug over de buitengracht en dan was je de stad uit. U merkt het van deze situatie is niets meer te zien.
05 Keppelstraat (2)

De stad was goed beveiligd. Wilde men erin dan moest men eerst door twee poorten en over twee grachten of via een bolwerk en dan over een gracht en dan weer door een poort (zie de plattegrond in de hal van het stadhuis). Vroeger kwam men bij de stad aan over de oude dijk van Zwartsluis. Het water rechts van de dijk heet “De Zeegraven”. Tevens werd er een weg gemaakt bij de Veenepoort, die de Veeneweg heette. Alle grachten zijn nu gedempt en daarom is er niet zoveel meer van te zien. Het kanaal (stuk binnengracht) voor de Veenepoort naar die Molenpoort toe heette “De Piepert”. Dat stuk heet nu nog net zo voor de Keppelbrug, dat werd zo genoemd omdat er rechts van de Veenepoort een stenen pijp lag die binnen en buitengracht met elkaar verbond.

Buiten de poort lagen allemaal veenlanden. Vandaar dat de poort de naam Veenepoort kreeg. Deze poort had twee bolwerken aan weerszijden liggen. Het ene waar nu de scheepswerf ligt, het ander waar nu de joodse begraafplaats ligt. Het laatstgenoemde werd gemaakt in 1606. Dit bolwerk werd genoemd: Het bolwerk achter de Weggetoren. Hier was veel materiaal voor nodig zoals: karren, spaden, houwelen, houwmessen, houten hoosbakken en twee watermolens om de grachten uit te malen.

In 1618 kwam er een nieuwe stadsmuur bij de Veenepoort. Voor het maken van deze muur werd veel aarde opgeworpen. Deze aarde werd in 1619 in de beide bolwerken gebracht ter verbreding van de wal. Tevens kwam er een nieuwe brug. In 1621 werd de poort vernieuwd. Het werd een nieuwe stenen poort. In het front van de poort kwamen drie wagens. In het midden het wapen van de Generaliteit, aan de rechterzijde het wapen van Zijne Generaal en het Stadswapen aan de linkerzijde. Er kwam een valdeur in en binnenin werd een wachthuis gebouwd met zitbanken en zweetbanken. Op het booggewelf kwam nog een verdieping met een borstwering en een eiken galerij, twee vensters, een schoorsteenmantel en een zitbank. Deze verdieping kreeg een vierkante kap als dak met dakvensters. In dit jaar werden ook vier nieuwe hutten bij de stadsmuur bij de Veenepoort gebouwd. De wezen bezaten ook een huis bij de Veenepoort. Dit huis was waarschijnlijk van een stadsomroeper geweest. Het was van Matteus de Roeper. Ze hadden ook land buiten de Veenepoort dat land heette “De Weezenschrade” (De Schraa). Omstreeks 1675 moesten de wallen bij de Veenepoort opgehoogd worden om dat de dijk hoger was dan de wallen.

Zo, nu zullen we nog het functioneren der poorten bekijken. In geval van oorlog werden de poorten gesloten, de valbruggen opgetrokken zodat de vijand niet gemakkelijk de stad in kon komen. De poort was het eind van de stad. Ongewenste bezoekers konden buitengesloten worden, maar ook ingesloten als men de stad wenste te ontvluchten. De poorten werden in vredestijd verhuurd. Voor het openen enz. der poorten werden mensen aangesteld zogenaamde portiers. Zij mochten in hun mantels de naam Hasselt dragen. Voor het openen en sluiten der poorten moesten zij zich houden aan een reglement. Het openen en sluiten der poorten geschiedde meestal bij zons&8209; op en ondergang, ’s avonds na het optrekken van de Burgerwacht.

Buiten de poorten waren ook de vuilnisstortplaatsen. Het as&8209; en stratendrek buiten de Veenepoort werd ook dikwijls verpacht. Belangrijke aankondigingen en besluiten en kerkespraken werden bij de poorten opgehangen. Zo, loopt u maar eens weer mee naar de Keppelbrug dan stappen we daar in een roeiboot.

toparrowStadsgracht

Zo, nu zijn we aangekomen bij de roeiboot liggende aan de rechterzijde van de Keppelbrug. Stapt u maar in en voor de watergewenning zal ik u eerst iets vertellen over het gebied waar u zich nu bevindt. Kijkt u eerst eens onder de brug door. U ziet eerst een stuk van de oude binnengracht “De Piepert (9). Dat komt uit op de Dedemsvaart. Die vaart werd gegraven in 1809 en het plan hiertoe was gemaakt door mr. Gerrit Willem van Marle. Hij was ook in het bezit van de gronden bij Hasselt. Hij overleed in 1799 en toen werden de gronden eigendom van zijn erfgenamen (Erfgenamenwegje).

Eén van die erfgenamen was Judith van Marle. Zij huwde met mr. Willem Jan Baron van Dedem. Deze zorgde voor de uitvoering van het plan. De vaart werd naar hem genoemd en ook nog een laan (Van Dedemlaan).

Laten we nu naar het midden varen. U bevindt zich nu in de oude gracht van Hasselt. Aan de linkerkant heeft u nu de Baangracht en aan de rechterkant de Prinsengracht. Vroeger heette dat niet zo. Alles werd gewoon aangeduid als de gracht. Pas in de 19e eeuw zijn deze namen gebruikt. Hierdoor wordt het erg moeilijk om iets van de geschiedenis van de huizen te vertellen omdat er geen enkel aanknopingspunt is. Vermoedelijk heeft de prins Maurits in één van de huizen, Prinsengracht 10, overnacht en is daarom de naam Prinsengracht ontstaan.

Vroeger stond de stadsmuur voor de gracht en stond er in 1397 nog. Toen had je de volgende situatie: De stadsmuur, dan een gracht en daarna over de gracht een wal “De Borchwal”. Die wal lag op de Baangracht. Het was dus een wal als extra bescherming (Borgen is o.a. beschermen).

Het eerste huis links (Baangracht/Kastanjelaan) daar woonde op het eind der 18e eeuw Hendrica Jacoba van Raasfeld de weduwe van Christoffer, Warner Jacob Baron van Coevorden, Heer tot de Doorn. Achter dit huis lag nog in het midden der 16e eeuw een vijver of kolk. Deze werd ook wel gebruikt als wasplaats.

Roeien we iets verder dan zien we rechts een steeg, die omdat er kalvermarkt gehouden werd, de Kalversteeg genoemd wordt. In het verleden werd het ook wel genoemd: “De Kromme Jakke” of “Scheisteeg”.

Roeien we weer verder dan zien we Prinsengracht nr.17. Dit pand was het eigendom van Gerrit Freislich, secretaris der stad Hasselt. Hij bezat tevens de panden aan de overkant (Baangracht).

Daarna zien we de Rosmolensteeg. Dit was de armenbuurt van Hasselt. Hier stonden aan de linkerzijde allemaal armenhuisjes. Drie achter elkaar gebouwd en in dubbele rij. En voor op de gracht staat een groot pand wat vroeger een armenhuis was. Roeien we verder dan komen we bij de Prinsengracht 10. Hier was eens een matten&8209; en mandenmakerij. Hier links en rechts van, woonden twee Israëlieten. Links een slachter, achter dit pand was een slachtplaats en rechts een marskramer. Onder dit pand, Prinsengracht 11, bevindt zich een bad der Joden. Dit bad was een reinigingsbad, gebruikt naar de Joodse wetgeving, zoals o.a. voor de vrouwen. Deze wetgeving is beschreven in Leviticus 15:19 e.v. Maar als een vrouw vloeiende zijn zal, haar vloed van bloed in haar vlees, zo zal zij zeven dagen in haar afzondering zijn: en al wie haar aanraakt zal onrein zijn tot aan de avond. De vrouw moest dus in afzondering leven. Mocht wel eten en drinken klaar maken voor haar man, maar niet in zijn aanwezigheid.

Als deze dagen van afzondering voorbij waren dan moest ze eerst in het reinigingsbad (miqvah). Als voorwaarden voor dat bad werden gesteld dat het water stromend moest zijn en er niets in het water mocht voorkomen dat verkleuring veroorzaakte. Het bad moest groot en diep genoeg zijn dat een volwassen vrouw zich er helemaal in kon onderdompelen en het bad mocht niet lek zijn. Na dit bad mocht de vrouw weer met haar man samenleven op normale wijze.

Zo de volgende keer zullen we de overzijde eens bekijken.

toparrowBaangracht (1)

Laten we eens kijken naar de panden Baangracht 5 en 7. Als u een visvergunning hebt en een vishengel dan kunt u wel even gaan vissen, dat vertelt gezelliger, want de Baangracht heeft veel om over te vertellen.

Ik zal u meteen iets vertellen over de linkerzijde van de Gasthuisstraat want alles was vroeger één groot complex aan die zijde. Vroeger heeft op de plaats waar nu de panden in de Gasthuisstraat staan vanaf Gasthuisstraat 2, een klooster gestaan. Voor de geschiedenis hiervan moeten we terug naar de 14e eeuw.
06 Baangracht (1)

Waarschijnlijk is men met dit klooster begonnen als begijnhof. Begijnen, dat waren vrouwen die zich groepeerden in huizen (Hoven). Ze leefden niet volgens een kloosterregel, echt geloften legden ze evenmin af en ze waren dus geen echte kloosterlingen. Waarom die groepering? Hier zijn wel enkele veronderstellingen voor te geven. Ontstaan als een reactie op het kerkelijk leven in die tijd, waar ze misschien ontevreden mee waren. Een grote sterfte was er in die jaren, want de pest “de zwarte dood” ging rond en hier ontstond een schrikreactie op. Het bestaan van een vrouwenoverschot, doordat er vrouwen alleen overbleven. Dit zijn factoren waardoor vrouwen op ingetogen wijze wilden gaan leven.

In 1397 kregen deze begijnen meer bezittingen op de Baangracht. Hier wordt ook duidelijk getoond om welke vrouwen het ging, nl. om “maagden en weduwen” in dit jaar verkopen Hertwich Eskens en zijn vrouw Hille een woning en gaarden op de Borchwal. Die woning zou gebruikt worden als een gemeenschappelijke woning voor maagden en weduwen. Omdat de Gasthuisstraat langs de bezittingen van de begijnen lag, werd deze steeg de Begijnensteeg genoemd en de brug over de gracht (de Verlaatsbrug) werd de Begijnenbrug genoemd.

Op den duur groeide het geheel uit tot een klooster en het was voor de begijnen het gemakkelijkste om toe te treden tot de orde van St. Franciscus. Franciscus (1182&8209;1226) was een koopman te Assisi. Deze had zich teruggetrokken als kluizenaar in de armoede als reactie op de rijk geworden abdijen. De begijnen waren toegetreden tot een bedelorde en wel tot de derde orde. Dit was een orde voor leken. De kloosterlingen werden dan ook tertiarissen genoemd. De bedelorden ijverden voor de verering van Maria. Zo moet dat ook in Hasselt geweest zijn.

Het klooster werd het Maria convent genoemd. Het klooster had een eigen priester. Eigen gebouwen waar werkzaamheden verricht werden. Het kreeg hoe langer hoe meer bezittingen (o.a. erve De Hoge Berg). Zo was het gehele gebied van de Baangracht in hun bezit tot ongeveer daar waar nu de Chr. Geref. Kerk* staat aan toe. Het hoofdgebouw stond aan de Gasthuisstraat met een toren er op. De bijgebouwen stonden aan de Baangracht. Zo was een aparte zelfstandige leefgemeenschap ontstaan buiten de stad. Een gemeenschap die steeds rijker werd. Dat de stad Hasselt dat niet duldde, daar zullen we het hopelijk de volgende keer over hebben.

*In 1998 verbouwd tot woning.

toparrowBaangracht (2)

Met onze ogen nog steeds op de Baangracht gericht, hebben we de vorige keer gezien dat daar een klooster ontstaan was, dat steeds meer bezittingen kreeg. Dit alles kon gebeuren omdat zij privileges (voorrechten) hadden gekregen van de bisschop van Utrecht. De stad Hasselt en de kerkheer van de St. Stephanuskerk duldden dit niet langer. Het klooster had ondertussen ook een eigen school opgericht. In 1414 werd een geschil bijgelegd. De kloosterlingen moesten zich buigen voor de meerdere macht. De school zou ontruimd en afgebroken moeten worden. Er zou geen gebruik gemaakt worden van de privilégebrief van bisschop Frederik van Blankenheim. Dit hield in dat men geen bezittingen meer mocht aankopen buiten weten van de raad etc. en de kerkheer. Mocht het klooster dit akkoord niet nakomen dan zou een boete betaald moeten worden van 200 oude Frankrijkse schilden. Zouden er in de toekomst nieuwe geschillen ontstaan, dan werden die geschillen voorgelegd aan vier Zwolse geestelijken.

Had dit klooster ook contact met naburige kloosters? Dit contact is er zeker geweest. Zo stond er op de Agnietenberg bij Zwolle een klooster van de broeders en zusters des gemenen levens (de Moderne Devotie). Zij wezen het streven naar macht, eer en bezit af. Daar leefde ook Thomas à Kempis, de schrijver van “Over de navolging van Christus”. Deze prees de zusters van het klooster te Hasselt om hun gastvrijheid.

Het klooster te Hasselt had geen kerkhof. In 1422 werd de pater van het voornoemde klooster te Zwolle bij het Agnietenbergklooster begraven.

Het klooster te Hasselt had invloed. Het werd het moederhuis van een nonnenklooster te Nieuwstad in België. In 1442 vroegen de zusters van het klooster aan de stad om een eigen kerkhof te mogen aanleggen. In 1443 mocht dat maar o.a. onder de volgende voorwaarden: Er mochten alleen doden van het eigen klooster begraven worden en doden van buiten de stad mochten alleen daar begraven worden als ze (natuurlijk toen ze nog leefden) ervoor gekozen hadden. Dit kerkhof moet ongeveer gelegen hebben daar waar nu de tuinen van de panden in de Gasthuisstraat liggen. De geschillen tussen stad en klooster duurden voort in de 15e eeuw. Het klooster kwam in een steeds moeilijker positie. Zo moesten ze zich houden aan diverse bepalingen, o.a. dat ze niets meer mochten kopen aan bezittingen en dat er niet meer dan 80 vrouwen mochten zijn.

Ondertussen zijn we aangekomen in het begin van de 16e eeuw en meteen bij het streven van Karel V om alle Nederlandse gewesten in handen te krijgen. De grote vijanden waren de hertogen van Gelre. Voortdurend waren er schermutselingen met Gelre. In 1517 werd ook Hasselt hierbij betrokken en met name ook het Maria&8209;klooster. Zo kwam er een klacht bij de in die tijd bisschop van Utrecht, Philips van Bourgondië, over krijgsknechten van hem die gelegerd waren in het begijnenklooster en er werd opgemerkt dat ze de juffers “ontholden gaan en staan en alles doen wat sij willen”. De kloosterlingen hadden het moeilijk en in die situatie is het ook best mogelijk dat ze een vluchtgang hadden. Vermoedelijk is er een onderaardse gang vanaf het pand Baangracht 7 t/m Kastanjelaan 62. Hoe het verder met het klooster ging zien we hopelijk de volgende keer.

toparrowBaangracht (3)

Het Mariaklooster kreeg het steeds moeilijker. De stad kreeg steeds meer invloed over de bezittingen en het klooster moest dulden dat er soldaten gehuisvest werden. Ook verbleven er belangrijke gasten in het klooster. In 1566 verbleef er graaf van Aremberg (Stadhouder van Friesland).

Landelijk veranderde de situatie. Er kwam opstand tegen het bewind van Filips II van Spanje en zo sloten de opstandige gewesten zich aan bij de Unie van Utrecht. Daardoor werd het steeds moeilijker voor de r.k. gemeente in die gewesten. Het klooster ondervond dat ook. Een kleine situatieschets geeft weer hoe. In 1583 was er een soldaat in het klooster, Claus Erasmus die ruzie maakte met de keukenjuffer in de keuken. Een zekere Antonius Holle ging er op af om te zien wat er aan de hand was. Erasmus kende hem en zei tegen hem dat hij de dag erop de stad moest verlaten samen met de heer Hendrick (de pastoor). Maar Holle lachte erom en zei dat hij de bescherming van de magistraat had. De rentmeester van het klooster “Tijmen ter Linde” trachtte de twist te stillen maar Erasmus stak naar hem met een mes en verwondde hem. Twee kloosterknechten kwamen er bij, en zo liep het niet uit de hand. Erasmus riep om zijn geweer, die de begijnen hem moesten geven, waarna hij het klooster verliet.

De stad Hasselt was niet streng reformatorisch. Ze bleef de kloosterlingen tolereren binnen de stadsmuren en zo kon het gebeuren dat er veel vervolgde rooms&8209;katholieken hun toevlucht namen bij het klooster. In 1588 werd er een huurcontract gemaakt waarbij het Mariaklooster ruimte verhuurde aan de jofferen van het Zwartewaterklooster. Hieruit blijkt wat ongeveer de bestemming van enkele bijgebouwen aan de Baangracht was. Verhuurd werd het ziekenhuis die stond tussen de Rosmolen (zie art. Rosmolensteeg) en de Matersche kamer. Tevens werd verhuurd de kelder onder het Spinhuis. De jofferen mochten ook de bleek en de vijver gebruiken. Baangracht 7 is vermoedelijk het ziekenhuis geweest.

In 1589 werd er een commissie tot liquidatie van het klooster gevormd. Er werd een inventaris gemaakt van wat er nog in het klooster aanwezig was, zoals bedden en lakens etc. Nu het gebouw was groot en liet zich goed gebruiken maar men wist nog niet wat men met de Begijnen moest doen. In 1592 waren er nog tien begijnen en die mochten blijven waar ze waren in de kamers van het klooster en ze mochten gebruik maken van de keuken. Aan hen werd een uitkering gegeven voor hun onderhoud. Eveneens gebeurde dat met de pastoor. In 1617 stierf de laatste begijn en toen kon de stad volledig beschikken over het klooster. De bezittingen van het klooster vielen aan de stad toe. De opbrengst hiervan, zoals pacht werd gebruikt voor het onderhoud van de schooldienst en de predikant.

De stad had een pastorie in de Ridderstraat staan maar toen men in 1614 een beroep deed op een tweede predikant naast ds. P. Plancius nl. ds. Vogelius (1614&8209;1630 te Hasselt) had men geen plaats voor hem en besloten werd om hem een zijgedeelte van het klooster ter bewoning te geven.

Hoe de situatie in de 17e eeuw aan de Baangracht was, hopen we de volgende keer te zien (hebt u al beet gehad?).

toparrowBaangracht (4)

Zit u nog steeds in de roeiboot? Laten we maar blijven liggen, met al dat ijs komt men niet zover. Laten we de veranderingen eens gaan bekijken die op de Baangracht plaatsgevonden hebben.

Het Kloosterhuis en zijn bijgebouwen vielen toe aan de stad. Wat deed de stad er mee? We hebben de vorige keer al gezien (Hoofdstuk 13) dat een zijgedeelte van het klooster (zijkamer) geschikt geacht werd als woning voor de 2e predikant.

Nu kijken we naar de Baangracht 5. In 1616 werd besloten om naast dit gedeelte in het klooster een nieuw zijgedeelte bij aan te bouwen. Dit werd later de tweede pastorie. Dat is het ook gebleven tot in de 19e eeuw. Later werd er zondagsschool gehouden. Een ander gedeelte hierachter in de Gasthuisstraat werd verhuurd tot in 1641 (aan de weduwe) aan Jr. Rudolf van den Clooster. Hierna kwam een gedeelte en dat werd Gasthuis (Gasthuisstraat). In 1641 was het gedeelte dat aan van den Clooster verhuurd werd vervallen en moest opgeknapt worden. Hierbij was ook een proveniersafdeling. Vaak voor oude mannen en vrouwen die levenslang hun onderhoud daar kregen. Ze konden zich daarover ook inkopen.

Enkele andere bijgebouwen aan de Baangracht bleven hun bestemming houden zoals het ziekenhuis en het spinhuis. Een ander gebouw er naast werd het huis voor de schoolmeester. Dat spinhuis moet naast het pand Baangracht 7 gelegen hebben. Welk nut zou dat spinhuis gehad kunnen hebben? Dan komen we terecht bij de naamgeving de Gracht. Achter de panden Baangracht 5 en 7 heeft van oudsher een touwbaan gelegen. Voor het maken van touw zou nodig kunnen zijn: het spinnen van garen, het maken van strengen, die ineengewrongen moesten worden. Door ineenvlechting daarvan door het spannen over een lange baan (touwbaan) met aan het eind een wiel waar alle strengen aan vast zaten en het ronddraaien van het wiel, ontstond touw (misschien wil een van de lezers die meer kennis van zaken heeft hierop ingaan door middel van een ingezonden stuk). Door die touwbaan ontstond de naam Baangracht. Vroeger noemde men het gedeelte langs de gracht “De Voorbaan” en het gedeelte Kastanjelaan “Achterbaan”. In 1614 is er sprake van 13 soldatenhutten op de touwbaan. De toegangspoort tot de touwbaan lag naast het pand Baangracht 7. Het spinhuis zal dus links hiervan gelegen hebben.

In 1665 kreeg Hasselt te maken met invallen van Munsterse troepen. Hier moesten ook soldaten voor paraat zijn. In dit jaar werd de volgende aantekening door de stadsdokter gemaakt. “Nog verscheyden soldaten wiens namen niet angeteekent liggende in de schepen hyr op stroom, opt spinhuijs met verscheijden sieckten pleuris, vlaemse koortsen, loop, zeere beenen beladen, doen aderlaten”. Het spinhuis zal later een erf geworden zijn. Naast Baangracht 7 stond een erf die “De Baan” genoemd werd.

Wat gebeurde er later met het klooster in de Gasthuisstraat? In 1724 gaf de stad een gedeelte in erfpacht uit om er een zeepziederij in op te laten richten en in 1770 probeerde een zekere Van der Lijnden uit Kampen er een Fransche kostschool te houden maar in 1778 moest hij dat al opgeven. Deze gebouwen vervielen en werden grotendeels afgebroken vóór 1815. In 1815 was het overgebleven gedeelte in handen van G. Freislich. Die liet er twee boerenwoningen van maken, met ieder een stal waar acht koebeesten in konden.

Laten we nog even kijken naar de Verlaatsbrug. Dit was aanvankelijk de Begijnenbrug. In 1612 werd er een houten sluis en in 1613 een stenen sluis of verlaat gebouwd. In 1614 werden er vloeddeuren gemaakt bij de brug. Zo de volgende keer hopen we weer verder te varen.

toparrowGasthuissteeg

Mochten er onder u zijn die stijve benen krijgen, dan moesten we daar maar eens iets aan doen. Dus varen we verder en gaan aan land aan het eind van de Baangracht. Loopt u maar mee dan blijven we stilstaan bij het begin van de Gasthuisstraat.

Er is al verteld dat hier vroeger de Begijnensteeg was. Dit was ook maar voor een korte periode. In het verleden veranderde de naam van een steeg naar mate het kenmerk veranderde. Zo kon een steeg naar een belangrijke persoon genoemd zijn. Vertrok die persoon dan veranderde de naam van die steeg ook.
07 Gasthuissteeg

Het kenmerk van het gebied waar we nu voor staan was in de 14e eeuw de Borchwal. Al de huizen werden dan ook aangeduid als “staande op de Borchwal”. Vele huizen op de Borchwal moesten pacht betalen aan de kerk. Ook werden er vele jaarrenten of gelden betaald door inwoners van die huizen aan de kerk voor bepaalde diensten zoals bijvoorbeeld het luiden van de klokken op noentijd.

De Gasthuissteeg had in het begin van de 15e eeuw benamingen van personen die er woonden. Zo werd het “De Rijckstege” genoemd (In 1397 kwam voor Egbert de Rijghe bij de Borchwal). In het midden der 15e eeuw werd het “De Risenberghes stege” (ca. 1470 woonde er het geslacht Rijsenberch).

Rechts van de steeg dus het gebied van de Heerengracht lag bouwgrond dat men “De Enk” noemde. Kijken we naar de oude stadssituatie dan bemerken we dat dit gebied buiten de stadsgrenzen lag. Dit werd gebruikt als bouwgrond en tuingrond waar diverse gaarden lagen. In het begin van de 17e eeuw voordat de steeg “Gasthuissteeg” heette werd het “De Patersteeg” genoemd. Waarschijnlijk omdat de pastoor daar zijn woonplaats gekregen had in de tijd van de reformatie.

Hoe de situatie van de huizen was kan niet precies weergegeven worden maar wel waren er huizen met enkele bijzonderheden. In 1638 stelde Borcard van Hattem tot onderpand zijn huis in de Patersteege daar de vullemoele in staat. Wat zou nu de vullemoele geweest zijn? Mijns inziens is hier sprake van een instrument dat gebruikt werd voor de lakenbereiding. Vullemoele is dan afgeleid van het woord “Volmolen”. Als er lakens waren geweven moesten ze worden gevolgd om ze te laten vervilten. Vroeger deden de mensen dat door met blote voeten urenlang in grote kuipen op lakens te gaan stampen om die lakens te doordringen met vet e.d. Dit proces werd mechanisch overgenomen door de volmolens die door paardekracht of waterkracht gedreven werden. Het voornoemde huis werd later “De Vullemoelle” genoemd.

Aan de Gasthuissteeg lagen ook soldatenhutten in de Patershof. De meeste huizen kwamen in het bezit van de stad. Aan het eind van de Gasthuissteeg (nu) daar liep de stadsmuur. Deze liep voor de binnengracht langs dus het gebied Kastanjelaan en Eikenlaan. De muur had een wachttoren tegenover het bolwerk waar nu de Joodse begraafplaats ligt en een poortje aan het eind van de Gasthuissteeg. Door dit poortje heen kwam men over een bruggetje (De Fortijbrugge) en dan in het Bolwerk (wat nu nog te zien is). In het Bolwerk stond een wachthuis dat “De Peerdestal” genoemd werd. In tijden van oorlog werd deze brug weggenomen (1655). In de Gasthuissteeg moet ook het portiershuis van de stad gestaan hebben. De bijnaam van dit huis was “Het Geweldenaars huys”. Dan rest alleen nog te zeggen dat links barakken en een school gestaan hebben in de 19e eeuw. Loopt u nu maar over de brug dan gaan we de Nieuwstraat eens bekijken.

toparrowNieuwstraat

Dan staan we nu voor de Nieuwstraat. In het verleden waren er in Hasselt aanvankelijk maar twee straten. Dat waren de Hoogstraat en de Ridderstraat. Wat later moet er een derde bijgekomen zijn en die werd ter onderscheiding van de oudere straten de Nieuwstraat. Zo wordt het in 1450 ook uitdrukkelijk gesteld als Johan Dirx en Grete zijn vrouw een jaarrente overdragen uit hun huis aan “de nije strate”.

Rechts aan de Prinsengracht ziet u nu een parkeerplaats. Dit is nu een open plek maar daar heeft vroeger een huis gestaan.* In het begin van de 19e eeuw woonde hier een winkelier “Johannes van der Vecht”. Tussen dit huis en het nu nog aanwezig pand aan de gracht liep een uitgang of pad. Voor de 17e eeuw stonden er aan de rechterzijde van de Nieuwstraat tot daar waar de Regenboogstraat begint geen huizen (misschien één).

Aan de linkerzijde valt direct de school en de kerk op. De school van de stad was er al in 1832. De kerk al vanaf 1852, werd in 1856 verkocht aan “De Gereformeerde Kerk onder het Kruis” en in 1913 verrees er een geheel nieuw kerkgebouw.
08 Nieuwstraat
Lopen we weer iets verder dan zien we eerst links de Regenboogstraat en daar op de hoek ligt een pand dat aan het eind van de 18e eeuw toebehoorde aan oud&8209;burgemeester Hendrik Jacob van der Vecht. Hiernaast ligt het gerestaureerde pand Nieuwstraat 7. Let u eens op de gevel. Deze gevel draagt de afbeelding van een koe. Dit huis stond bekend als “De Gildenkamer” en werd in 1754 aan de gilden toegewezen voor vergaderingen e.d. Waar was dat voor nodig zult u zich misschien afvragen? Gilden dat waren verenigingen van ambachtslieden die een zelfde beroep uitoefenden. De ambachtslieden van een zelfde beroep hadden zich bij een gilde aangesloten om diverse redenen.

In de eerste plaats kregen ze hierdoor rechtszekerheid doordat hun rechten en plichten vastgelegd waren in een verordening (keur). Ten tweede kon men hierdoor vreemde ambachtslieden uit de stad weren en had men minder concurrentie te vrezen. Ten derde hadden ze geen onderlinge concurrentie meer.

De keur van het gilde regelde o.a. de prijzen, het arbeidsloon en de arbeidstijden. De oprichting van een gilde was te vinden in een z.g.n. gildebrief, die goedgekeurd moest worden door het stadsbestuur. In Hasselt kwamen enkele stichtingen al voor in de 15e eeuw. De naam van zo’n broederschap of gilde was vaak opgedragen aan een beschermheilige of gildepatroon. Zo was er één gesticht in 1408 door schepenen en raad van de Broederschap des Heiligen Sacraments. In 1418 de Broederschap ter ere van de H. Maagd Maria of ook wel het O.L. Vrouwengilde.

Elk gilde had vaak zijn eigen priester en altaar in de St. Stephanuskerk. De voornoemde gilden hadden in 1443 een gemeenschappelijke priester. Andere gilden waren: Het Maria ter Sneelgilde (lakenkopers), Het Crispinusgilde (schoenmakers), Het St. Lucasgilde (schilders, goudsmeden, glazenmakers, steenhouwers en beeldhouwers e.d.).

In deze gilden die machtig waren in de stad kon een buitenstaander zich niet zo gauw indringen. Wilde men lid worden dan moest men of een proefstuk leveren of een hoge inkoopprijs betalen. Alleen joden konden uitdrukkelijk niet in het gilde. Daarom zie je hen meestal buiten het gildewezen gedwongen in vrije beroepen (geldleners, marskramers en marktlieden). De gilden hadden dus ook veel invloed op het stadsbestuur. De volgende keer zullen we naar de Markt lopen.

*Sinds 1987 staat hier weer een woning.

toparrowMarkt (1)

We verlaten nu de Nieuwstraat. Kijkt u onder het wandelen nog even naar links dan ziet u het pand Nieuwstraat 3. Hier woonde al vanaf het begin van de 19e eeuw het geslacht Galenkamp. Aan deze linkerzijde was vanaf de 17e eeuw een uitgang of pad naar de Nieuwstraat voor de bewoners aan de Ridderstraat.
09 Markt (1)
Dan staan we nu aan het begin van de Markt. Tevens zijn we hiermee aangekomen bij één van de oudste gedeelten van de stad. In het verleden heette dat nog geen “Markt”. We zijn in het centrum van de stad en hoog boven alles is de kerk te zien. Zo is dat in verleden ook begonnen.

Het begon bij de kerk en met name bij het bestuur van de kerk, de bisschoppen van Utrecht. Daar richten de mensen zich tot en toe. De woningen staan dan ook gebouwd vanuit het middelpunt. Iets anders om met een variant op Rome te spreken: er zijn vele wegen die naar de kerk leiden. Bij de kerk als centrum kwamen alle hoofdstraten uit.

Bij de kerk werd ook een raadhuis gebouwd en als centraal punt kwam er uiteindelijk ook de markt. De 11e december 1357 schenkt Johan bisschop van Utrecht, aan Hasselt het recht van weekmarkt en drie vrije jaarmarkten. De markt kwam bij het raadhuis in het verleden nog geen markt genoemd blijkens het volgende in 1401. Elsebeen en Johan ter Toren schenken aan de Kerspelkerk een jaarrente van twee pond en aan de Heilige Geest een van één pond en een kwart wijn op midwinter ten behoeve van hen, die dan het H. Sacrament ontvangen, gaande uit de “hofstede” van Seijne Mulerds, gelegen naast Willem Scorde en de “steeg van het stadhuis”.

Tevens blijkt uit dit bericht dat alles in het centrum in die tijd nog niet volstond met burgerwoningen maar dat er ook nog boerderijen waren. In 1451 werd er een huis op een hofstede bij het raadhuis afgebroken. Zo moet er in het verleden veel drukte in het centrum geweest zijn. Veel kooplieden die daar hun waren aanprezen en hun verkoopkramen hadden. Al gauw waren er van overheidswege allerlei regelingen om het marktwezen in de hand te houden. Er werden marktmeesters aangewezen om toezicht te houden met name ook op de kwaliteit en de hoeveelheid van de goederen. In 1520 kwam er een keur op de verkoop van de vis, boter en gevogelte. Er kwam in 1627 een besluit betreffende het verkopen door vreemde kooplieden. Na de reformatie kwamen er vele protesten van de kerkenraad tegen het verkopen op zondag. De Markt moet ook onvredige tonelen te zien gegeven hebben zoals in 1582 toen het Raadhuis geplunderd werd.

Tot slot zal ik u nog een fragment uit die reformatieperiode geven: Een verklaring afgelegd voor de burgemeesteren van Hasselt: “houdende dat ten huize van Gerrit Lucasz, een soldaat, eene kaars willende hebben, deze hem een halve gaf, waarop de soldaat naar boven op zijne kamer gaande, aldaar ging staag pissen, en hij Gerrit Lucasz daarop zijn vleesch van de balken nam om voor te komen dat het niet zoude belekken”.

toparrowMarkt (2)

Staat u nog aan het begin van de Markt met uw rug naar de Nieuwstraat? Over de huizen aan de Markt valt niet zoveel bijzonders te vertellen. Welke categorie inwoners de huizen gehad hebben kunt u wel raden. Wat zal er het meest nodig zijn in zo’n druk centrum?

Allereerst herbergen en plaatsen om de paarden te kunnen stallen. Aan de rechterzijde stonden aanvankelijk vier panden, waarvan er één ca. 1896 afgebroken is. Te beginnen bij de Hoogstraat achtereenvolgens met de benamingen: Het Rode Hart (Later Herderin), Het huis “De Halve Maan” en aan de Hofstraat het huis “De Zon”. Iets anders dat nodig was voor de verzorging der paarden was een smid. Verder woonden er aan de Markt veel winkeliers. In het pand hoek Nieuwstraat&8209;Hofstraat woonde in het begin van de 19e eeuw een bakker en eveneens in die tijd in het pand hoek Nieuwstraat&8209;Ridderstraat een herbergier en voerman.

Dan kijken we nu even naar het stadhuis. Hiervan zijn al vele beschrijvingen gegeven waaruit we er enkele zullen weergeven. Als u goed kijkt dan kunt u zien dat dit gebouw twee verschillende delen bevat. Een ouder gedeelte uit de 15e eeuw, het westelijk deel en een gedeelte uit de 16e eeuw het oostelijk deel. Het Raadhuis werd al genoemd in 1431 als het schepenhuis en in 1432 staat er een vermelding in het stadsboek dat “dat raadhuijs nijes vertimmerd werd”.

De ingang bevindt zich nu weer op de oorspronkelijke plaats met het wapen van Hasselt met het jaartal 1550. In het verleden had elke ambachtsmeester zijn eigen huismerk dat hij vaak bij zijn werk achterliet. In de stenen van het oostelijk deel van 1550 komt een steen voor met een uitgehouwen ster omgeven door een rand met opschrift 1575 o (sic).

Voor het oude westelijke deel heeft voor 1550 vermoedelijk het stadswijnhuis gestaan. Dit wijnhuis heeft een kelder gehad. Die kelder was een bron van vermaak in het verleden. Zo werd er vaak gedobbeld, maar er werden ook vaak hoge heren kwaad die er twist zochten en er in het verleden ook voor gestraft werden. Men mocht in de 15e eeuw wel diverse spelen doen, maar men moest dit wel melden. Men speelde meestal om een “gelach” (eten of drinken). Als spelen waren geliefd “sceten en ball slaen” en bij het kerkhof het “werpen mid ballen off cloten”. In 1431 werd bepaald dat er niemand “hogher wedden en sall dan 1 quarte wijns”.

De keldergewelven onder het stadhuis werden gebruikt als gevangenis. In het verleden was het in Hasselt moord en doodslag. Het stadsboek staat vol met misdaden. Het steken met lange messen, het gooien met kannen, glasen en stenen. Zo werden er in de 15e eeuw ook twee gezellen uit Bircmede (Berkum) gericht omdat zij de knecht van de schout hadden doodgeslagen.

Voor het gemeentehuis heeft een pomp gestaan. Hiervan maakten de huizen in de Hoogstraat en de Hofstraat gebruik. Als belasting moesten ze voor het gebruik geld betalen aan hiervoor aangestelde pompmeesters. Loopt u nu maar eens om het gemeentehuis heen om alles te bekijken, kijkt u ondertussen ook omhoog om een voorbeeld van een trapgevel te bekijken, misschien ziet u dan nog wel meer bijzonderheden.

toparrowHofstraat

Nu we toch op de Markt ronddwalen, kunnen we even terzijde wel een blik werpen in de Hofstraat. Deze straat wordt al genoemd in de 15e eeuw. Hoe komt deze straat aan zijn naam. U kunt nu nog enigszins zien waarom. Er stonden allemaal kleine woningen (hofjes). De mensen die er woonden waren veelal renteniers of weduwen of mensen met hele eenvoudige beroepen.

Achter de Hofstraat loopt een riolering die “de stadsgeute” wordt genoemd. Hier waterden en de Hofstraat en de Prinsengracht op af. Deze goot heeft open gelegen en voorheen zal er geen sloot gelopen hebben. Deze waterlozing, die ten onrechte als van de stad zijnde wordt aangegeven, was vroeger in particuliere handen. Zo braken er ook menigmaal twisten over uit. In 1767 hadden J. ter Wee en de weduwe van Lukas van Dingstee er onenigheid over.

10 HofstraatRechts vooraan moet er een pand gestaan hebben dat van ouds “Het Heilloeversnest” genoemd werd. Kijken we nu naar Hofstraat 7 met het daarnaast liggende pand richting Markt. Dit was vroeger één geheel onder één kap. In het begin van de 18e eeuw was dit het eigendom van Jan Pont maar later werd dit een weeshuis. Dit pand heeft van voren ook een speciale gevelsteen gehad met een kinderhoofd erop. Links middenin de Hofstraat was er vroeger een pand waar de stadsviltkuil in was.

Let u eens op het 17e-eeuwse geveltje bij het pand Hofstraat 23 dat geeft u een indruk hoe oud de huisjes zijn die er nog staan. Al vanaf het begin van de 19e eeuw is hier al het schildersbedrijf aanwezig van de familie Admiraal. Aan het eind, links ziet u nog enkele mooie gevels en een typisch gebruik van de muurankers. De ankers geven het jaar “1611! weer. Rechts daar tegenover heeft vroeger een boerderij gestaan. Wat mij nog onbekend is, is de plaats van een huis in de Hofstraat dat “De Zwarte Arend” heette.

Dan gaan we nu weer terug naar de Markt en gaan we voor het kerkgebouw staan. Over de kerk hopen we de volgende keer iets te vertellen. Deze kerk is genoemd naar de eerste Christelijke martelaar, namelijk Stephanus, “De St. Stephanuskerk”. Deze wordt beschreven in Handelingen 6 en 7. Stephanus deed wonderen en grote tekenen onder de mensen. Hij werd gevangen genomen en voor de Joodse raad bestaande uit schriftgeleerden geleid. Daar tegen hield hij een redevoering waarbij hij hen min of meer verweet dat zij niet in Christus wilden geloven. De schriftgeleerden werden kwaad en knarsten de tanden: Daarna lieten zij hem stenigen en met de woorden: “Heere, reken hun deze zonde niet toe”, stierf hij.

Van welke kant u komt kunt u deze kerk met zijn toren zien. Het is en was de trots van de stad. Het wapen van de stad wordt dan ook gevormd door de afbeelding van Stephanus.

toparrowSt. Stephanuskerk (1)

Laten we de St. Stephanuskerk eens van de Marktzijde benaderen. Er zijn al diverse beschrijvingen van de kerk geweest dus blijft deze beschrijving oppervlakkig. Aan de linkerzijde ziet u in een van de steunberen een zandsteen met een jaartal erop. Zo gezien staat er 1997, iets wat natuurlijk niet de bedoeling zal zijn geweest. De overlevering wil hierdoor misschien wel dat de kerk in 997 gesticht zou zijn maar de verklaring 1497 als afsluiting van een bouwperiode lijkt het meest waarschijnlijk.

Dan gaan we door de ingang naar binnen. Deze hallenkerk is er niet altijd zo geweest ook al zijn er veel oorspronkelijke resten aanwezig. Nu heeft het een middenschip met twee zijschepen. De zijschepen zijn van latere tijd. Het oudste bericht van de kerk dateert uit 1255.

11 Stephanuskerk (1)Kijkt u eens rechts voor u op de torenwand. Hier krijgt u een beeld van de muurschilderingen die er voor de reformatieperiode in de kerk moeten zijn geweest. Deze muurschildering waarschijnlijk uit de 16e eeuw geeft een middeleeuwse legende weer van St. Christophorus. De naam betekent “Christusdrager”. De legende verhaalt dat Christophorus het Christuskind over een rivier gedragen heeft. Christophorus werd dan ook de schutspatroon van de reizigers. U ziet geschilderd voor zover het nog niet afgesleten is: Het Christuskind die in de linkerhand een wereldbol heeft en twee vingers van de rechterhand zegenend heeft uitgestrekt. Christophorus, een reus, met zijn voeten in het water, waarin zich allerlei vissen en gedrochten bevinden. Het haar op het hoofd is samengebonden in een net, waarop een hoed is gezet. Het lichaam is omgeven door een pantser waaronder pijpen van een pofbroek uitkomen.

Nu gaan we helemaal links af tot aan het eind en dan rechts door een deurtje in het hek. Direct links in het raam ziet u een wapen. Dit wapen is weer op de oude plaats gezet waar voorheen datzelfde wapen zat. Zo zijn er meer wapens geweest volgens ontwerpen uit 1653 o.a. van de glazenmaker Wycher van Russell. Diverse instanties gaven geld voor het maken van de glazen in de kerk en als tegenprestatie kwam hun wapen in het glas. Deze was van de generaliteit voorstellende een leeuw met een pijlbundel. Kijkt u nog even omhoog. De sluitsteen van een bogenvak stelt Stephanus voor in een boetekleed.

Vroeger zaten de mannen en vrouwen gescheiden. De plaats waar u nu staat heet “de damesbanken”. Dicht bij het volgende deurtje in het volgende hek vindt u nog de rest van een oude grafzerk (achter de laatste bank) van het geslacht Telvoren. Hier wordt meteen hun wapen weergegeven, dat voor een Christelijk wapen moet doorgaan. Er staan twee tekens op die wijzen naar Christus. Allereerst een vis, dat is in het Grieks Ichtus een afkorting van “Ièsous Christos Theou Huios Sooter”. Jezus Christus, Gods Zoon, Redder is Christus. De volgende keer gaan we weer verder.

toparrowSt. Stephanuskerk (2)

We staan nog steeds bij de damesbanken in de kerk en daarom kunnen we nu beter even gaan zitten. De vorige keer is al opgemerkt dat deze kerk er niet altijd in deze vorm is geweest. Voorheen was er een eenvoudiger kerk. Omstreeks 1380 is er een brand geweest die de kerk verwoest heeft. Hierna is er deze hallenkerk gekomen. De vraag is nu, waarom er nadien zo’n grote kerk gebouwd moest worden. Hier kunnen we alleen maar enkele gissingen over geven.

Ten eerste kan er sprake geweest zijn van concurrentie tussen de steden. De kerk moest het symbool van de stad zijn. Dus hoe groter hoe mooier en de kerk moest vooral hoog zijn. Ten tweede kan het gelegen hebben aan de politiek van de bisschop van Utrecht. De kerk moest imposant zijn, zodat de mensen zich met de kerkdienst bezig bleven houden en hierdoor vaster verbondenheid kregen met de bisschop en indirect dus steun gaven aan hem tegen diens vijanden.

Nu zult u zich wel afvragen waar het geld vandaan kwam om zoiets groots te maken? Dat geld hoefde er niet in één keer te zijn. De bouw van de kerk in zijn huidige vorm heeft minstens 120 jaar geduurd tot ongeveer het eind van de 15e eeuw. Het waren niet alleen inwoners van Hasselt die dat geld opbrachten maar ook buitenstaanders. De Hasselters betaalden een soort belasting, een hoofdelijke omslag als bijdrage aan de kerk. De kerk had veel inkomsten uit bezittingen, huishuren, pachten e.d. zelfs in veel omliggende plaatsen (Heino, Dalfsen, Rouveen enz.).

De bisschoppen zorgden er voor dat men giften e.d. gaf aan de kerk d.m.v. aflaatbrieven. Een aflaat is een kwijtschelden van alle kerkelijke boeten die nog opgebracht moesten worden voor in de biecht beleden zonden. Enkele voorbeelden: In1380 verleent Floris van Wevelinkhoven ’n aflaat van 40 dagen aan allen die geschenken geven voor het herstel van de verbrande kerk te Hasselt. In 1451 werd nog een aflaat verleend van 100 dagen.

Waar ook veel inkomsten uit kwamen dat was uit de altarendiensten. Bij pilaren of nissen in de kerk werden altaren gesticht. Die altaren kregen hun eigen bezittingen met daaraan verbonden pachten en uitgangen. Bij die altaren (er zijn er minimaal naar schatting 12 geweest) behoorden priesters die vele giften kregen. Elk altaar werd gesticht ter ere van iets. Vereerd werd o.a.: Maria, Nicolaas, alle apostelen en evangelisten, Bartholomeus, Laurendus, Georgius, Barbara, Cecilia, 11000 maagden, Elisabeth, het Heilige Graf en het Heilige Kruis. Als laatste nog enkele inkomsten verkregen uit giften ten behoeve van het luiden van de klok, begrafenisrechten en giften ten behoeve van de zielenrust van overledenen.

toparrowSt. Stephanuskerk (3)

Staande in de kerk voor de Heilige Grafkapel zijn we links op de muur nog een gedenkbord gepasseerd. Dit is een gedachtenis aan de predikant Otto Gisius (Gijsij) die beroepen is uit Ootmarsum en in 1612 is overleden.

Nu gaan we helemaal naar het westen van de kerk. Hier was vroeger de oude ingang. Hier vindt u ook een deurtje, als u die ingaat dan ziet u een spiltrap. Hier kunt u de toren op. Doet u dat maar eens, het is beslist de moeite waard. Het onderste deel van de toren dateert ongeveer uit de tijd 1380. In 1966 bij de restauratiewerkzaamheden vonden ze funderingen van een toren die meer oostelijk stond dan de bestaande toren. Zo’n toren had vroeger diverse functies. Als u boven op de balustrade staat dan ziet u wel waarom. Het uitzicht is enorm. Zette men in oorlogstijd hier een wachtpost neer dan kon men de gehele omgeving overzien en tevens toezicht houden op de stadsmuren. Onder de balustrade bevinden zich aan de zijden kleine afbeeldingen. Wat ze voorstellen is niet duidelijk en waarom ze daar gemaakt zijn ook niet. Op de zuidelijke zijde bevindt zich een narrengezicht en op de oostelijke zijde iets wat een vrouwenhoofd zou kunnen zijn en een mand.

In de toren hangen ook enkele klokken. Van oudsher hebben die klokken een waardevolle functie gehad. Om de tijd aan te geven maar ook om te luiden bij onraad en brand. Gemeentelijke verordeningen werden er zelfs op afgestemd. Zo kon men in de 15e eeuw de bepaling tegenkomen dat een kraamvader niet eerder kraamvisite mocht ontvangen op een bepaalde dag dan dat de klok drie uren had geslagen.

12 Stephanuskerk (3)Bij de klokken vindt u ook een serie kleine klokken. Dit werd vroeger het speelwerk, tegenwoordig het carillon genoemd. Daar was reeds in 1662 mee begonnen door de klokkengieter te Amsterdam, Francois Hemony. Men oriënteerde zich in die dagen goed en zo werd o.a. gekeken naar voorbeelden in de Nieuwe kerk te Amsterdam en de kerk in Enkhuizen. Na een paar jaar was het klaar. Maar lang heeft het niet mogen duren. In 1725 sloeg de bliksem in de toren en de hele spits was afgebrand. (Hiervan is nog een tekening van Cornelis Pronk). Op dezelfde dag en hetzelfde jaar schijnt hetzelfde gebeurd te zijn in Hasselt in België. Twee Hemony klokken bleven nog bewaard.

In 1960 kwam een nieuw carillon tot stand o.a. door een grote gift van dr. H.A.W. van der Vecht. Wat de gewone luidklokken betreft. Na de torenbrand kwamen er in 1738 twee luidklokken van Ciprianus Crans bij. De klokken werden gevorderd tijdens de Duitse bezetting in 1943. Deze klokken werden omgesmolten in Duitsland. Een van de klokken heeft tijdens de oorlog nog gehangen te Genemuiden. Nu hangen er twee klokken, gemaakt en in gebruik genomen in 1949 met de volgende opschriften: “God zij geprezen, Wij zijn herrezen, Hoort onze galmen, Zingt Gode psalmen, Komt zo ’t behoort, Tot Gods Woord” en “De schennende hand van de Duitser, Deed de stem van mijn voorganger smoren. Ik hoop dat mij een beter lot is beschoren. In de Hasselts oude toren”.

De volgende keer hopen we het orgel te gaan bekijken.

toparrowSt. Stephanuskerk (4)

Omdat lang zitten niet goed is voor de inwendige mens staan we nu op en gaan door het volgende deurtje. We komen nu in het zuidelijk gedeelte van de kerk. Hier waren eens de banken van het stadsbestuur. Kijkt u even naar links. Hier was vroeger een kleine ingang vanaf de Ridderstraat. Deze is nu dicht gemaakt. Iets verder links ziet u een oude klok staan daterend uit 1617. Links boven in de klok ziet u het wapen van Hasselt.

Dan lopen we nu iets door en komen bij de ingang van de tegenwoordige consistorie. Dit was vroeger de sacristie. Kijkt u daar naar binnen dan kijkt vanuit vele hoeken (boven) een gehouwen gezicht u aan. Deze sacristie en een ander gebouwtje iets verder links, daar waar nu de opnamespullen staan, zijn buiten de kerk aangebouwd. Voor de lichtval door de ramen hebben de daken een typische vorm gekregen en worden wel “lessenaarsdaken” genoemd. Het laatst genoemde gebouwtje was vroeger de plaats van de Heilige Grafkapel. Deze kapel werd gesticht aan het eind van de 15e eeuw. Hier aan de muur bevindt zich nog een grafschrift ter nagedachtenis van twee priesters: Albert en Tijmen ter Linden. Verteld wordt dat voor de restauratie van de kerk dit grafschrift omgekeerd in de muur zat gemetseld. Dit zou gekomen zijn door de hervorming, waarbij men het grafschrift omkeerde.

Dan zullen we nu eens zien hoe die reformatie gegaan is. Aanvankelijk was Hasselt niet zo gecharmeerd van de nieuwe leer. De pastoor bleef in de stad en werd onderhouden. Van de aangeboden diensten van een legerpredikant in 1572 met name Hendrik Middendorpius werd geen gebruik gemaakt. Ook viel er geen verandering in het stadsbestuur te bespeuren. De reformatie moest van de Staatse zijde worden afgedwongen. Lees maar wat de geschiedschrijvers vertellen: “Den 26e october 1582 hebben hopman Corn. van Steenwijk, Wolter van Doorn en Nicolaas van Haarlem elks omtrent vijftig soldaten sterk wezende, komende van Zwartsluis de stad van Hasselt in Overijssel int afsluiten der poorte met verassing ingenomen, waarbij niet meer dan vier of vijf gewond wordende. Zij hebben eenige huizen geplunderd en de beelden in de kerke geslagen en doen prediken de gereformeerde religie.”

U merkt dat ze het hadden voorzien op die beelden en nu vraagt u zich misschien af waarom? Zij meenden dit te moeten doen op o.a. Exodus 34&8209;17: “Gij zult u geen gegoten goden maken”. Het tweede gebod: “Gij zult u geen gesneden beeld maken, etc.” Exodus 20&8209;4 en 5. De volgende keer gaan we verder.

toparrowSt. Stephanuskerk (5)

Bent u al weer uit de toren? Mooi, dan lopen we even naar de Marktzijde. Hier is een deurtje met een trap erachter waar men op de gewelven kan komen. Halverwege zit een deurtje die u staande in de kerk ook kunt zien. Dit deurtje kwam waarschijnlijk vroeger uit bij een orgel. Dit moet het kleine orgel op het schepenkoor geweest zijn waaraan in 1532 nog herstellingen verricht werden. De kerk had in die tijd dus twee orgels.

13 Stephanuskerk (5)Lopen we terug dan komen we voor het tegenwoordige orgel te staan. Op de plek waar nu het orgel is, daar was vroeger ook het grote orgel. Dit orgel was er al vóór 1480. Omstreeks 1549 kwam er een nieuw orgel en in de 16e en 17e eeuw nog diverse veranderingen en herstellingen. Het kleine orgel werd in 1582 vernield. In 1725 ging het grote orgel verloren. In 1802 werd er in Hasselt een inzameling gehouden en op den duur kwam het orgel tot stand wat u nu ziet. De orgelbouwer was Rudolf Knol. Deze heeft aan nog meer orgels gewerkt o.a. in Wieuwerd, Bozum, Oosterwolde en Zwartsluis.

Kijken we naar het aanzien van het orgel dan zien we de uitbeelding: Geloof, Hoop en Liefde, enkele engelen met bazuinen en geknield David met de harp. Dit alles werd gemaakt door een beeldengieter te Amsterdam, Lorenzo Grisanti. Het timmerwerk en snijwerk kwam van de stadstimmerman J.J. Bode. De orgelbouwer bleef in Hasselt wonen en woonde aan de Baangracht.

Loopt u nu maar eens her en der door de kerk heen. Kijkt u maar eens naar de preekstoel uit de 17e eeuw. In de kerk vindt u ook grafzerken. In het verleden werd in de kerk begraven en vooral vooraanstaande figuren hadden hun eigen familiegraf in de kerk. U ziet dan ook dat er veel adellijke families en burgemeesters begraven zijn met een wapen op de grafzerk. Af en toe ziet u ook een zerk met een kruisje of een driehoekje erop. Dan ligt er veelal een ambachtsman begraven. De ambachtslieden hadden in het verleden een eigen huismerk, dat ook op hun graf gezet werd.

De mensen konden natuurlijk niet allemaal in de kerk begraven worden en zo is er aan het eind van de 15e eeuw ook sprake van een kerkhof. Dit kerkhof lag aan de zuidzijde van de kerk waar nu het kerkplein is. In 1619 werd de kerkhofmuur weggebroken en het kerkhof bestraat en bepalingen gemaakt voor het rijden over het kerkhof.

Tot slot en enkele opmerkingen over de kerk. De kerk heeft nog wel eens wat te verduren gehad. In oorlogstijd werden er vaak soldaten in gehuisvest. Zo werden er dan ook in 1657 bij het beleg van Hasselt 12 kanonschoten op de kerk gevuurd die veel schade veroorzaakten. Het was zelfs mogelijk dat de brandweer gebruik van de kerk maakte o.a. in 1672: “De brandmeesteren en die geene welke tot de spuiten behooren sullen sig dadelijk moeten laaten vinden bij de spuiten, ten welker einde an ieder brandmeesteren een sleutel van de kerk sal worden ter hande gestelt, om met de spuiten sig ten spoedigsten in de brand te begeven.” De volgend keer hopen we de Ridderstraat te bekijken.

toparrowRidderstraat (1)

Na zo’n tijd in de kerk geweest te zijn zoeken we de buitenlucht op en we lopen naar het begin van de Ridderstraat (aan de Marktzijde). De naam van de straat stelt heel wat voor. Waarom zou het zo genoemd zijn? Er wordt verteld dat de ridders, die gesneuveld zijn bij de slag bij Ane in 1227 er gewoond zouden hebben. Als dit zo geweest is dan heeft die overlevering de mensen wel lang bezig gehouden want in de berichten van de 15e en 16e eeuw komt de Ridderstraat als zodanig niet voor. Het werd toen gewoon “De Straat” genoemd en het gedeelte vanaf de Markt tot aan de Vispoort als “Achter de Kerk” aangeduid.

Zelfs de rivier, nu het Zwarte Water genoemd, is een verlenging van de samenvloeiing van de Zwolse Aa of Wetering met de Overijsselse Vecht. In veel berichten uit de 15e en 16e eeuw staat voor de rivier aangegeven “De Aa”. Op oude plattegronden van de stad aangegeven als “De Vecht”. Oorspronkelijk was de rechterzijde van de straat op een paar huizen na geheel onbebouwd. Ten westen van de kerk stonden huizen en ten zuiden van de kerk slechts enkele. Aan de rechterzijde liep dan ook de stadsmuur.

Laten we eens naar Ridderstraat 8, 10 en 12 kijken. Deze huizen zijn in één geheel opgebouwd. In het verleden was het in bezit van één geslacht. Nr. 8 was in ’t verleden een herberg waarschijnlijk in combinatie met nr. 10 en 12. Het stond bekend als “Die Witte Swane” en werd in de 18e eeuw “De Kleine Zwaan” genoemd. In 1626 werd dit pand verkocht (nr. 8) door Niesien de dochter van Everwijn Derx aan burgemeester Jan van Bentem. De nrs. 10 en 12 behoorden in die tijd toe aan oud burgemeester Peter Joosten. Deze was gehuwd met Geertien van Bentem en zij verkochten hiervan (de erfgenamen o.a. Jan van Bentem) een huis aan weer een familielid.

Dan komen we nu bij nr. 14. Dit is nu de pastorie. Dit pand is gebouwd omstreeks 1885. De voorgaande pastorie is met de grond gelijk gemaakt. Dit is de plaats waar sinds de hervorming al enkele eeuwen de predikanten gewoond hebben, vlak bij de kerk. Voor de hervorming was het de woonplaats van de priesters. Nu komen we op het punt waarom de straat misschien wel de Ridderstraat genoemd werd. Er stonden wel enkele huizen die aan adellijke personen toebehoord hebben, die ook wapens hadden. De pastorieplaats is waarschijnlijk ook zo’n huis geweest en wel in het bezit van de bisschop van Utrecht.

Deze bisschop had een rol vervuld in wat men “Het Utrechtse Schisma” noemt. Normaal werd in het verleden een bisschop gekozen en daarna door de paus bevestigd. In 1423 overleed bisschop Frederik van Blankenheim. De adel en steden kozen de proost van Osnabrück, Rudolf van Diepholt, tot bisschop. De paus stelde de kandidaat van hertog Philips van Bourgondië, Zweder van Culemborg aan. Dit werd niet door o.a. Het Oversticht (Drenthe en Overijssel) geaccepteerd. Zo waren er twee verdeelde gebieden. Zweder verbood alle erediensten in het door Rudolf beheerste gebied. De paus Martinus vond toen een oplossing door Zweder de titel van een niet meer bestaand bisdom te geven en benoemde Rudolf, Rudolf van Diepholt stierf in 1445 en nu wat voor een bericht wij over hem hebben. In 1438 deelt Rudolf, bisschop van Utrecht, zijn huis achter de kerk te Hasselt ten behoeve der beide vicarissen aldaar in tweeën. De volgende keer hopen we verder te wandelen.

toparrowRidderstraat (2)

We blijven nog even aan de rechterzijde van de Ridderstraat. Het merendeel van deze huizen was in het bezit van het geslacht van Bentem. Ridderstraat 20 was in het bezit van Arnoldina van Bentem omstreeks 1739. Zij bezat vele huizen in deze straat.

14 Ridderstraat (2)Ridderstraat 22 was in het begin van de 17e eeuw de plaats waar de burgemeesters woonden. Hier woonde iemand waar een straat in Hasselt naar genoemd is Willem Egberts (straat). Dit was de eerste burgemeester aan Staatse zijde en heeft als zodanig ook een belangrijke rol vervuld bij de overgang van Spaanse naar Staatse zijde. Aanvankelijk fungeerde hij als burger&8209;hopman en wachtmeester. Hij was de aanvoerder van een groep gewapende burgers uit Hasselt, “Het Burgervendel” genoemd, vanaf 1583. In die tijd was Lephert Schulten burgemeester maar door een niet gevoerd bestuur (Spaansgezind) werd hij in 1587 verbannen uit de stad en mocht later alleen maar in de stad komen om privé-zaken af te handelen. Na 1627 kwam het pand in bezit van burgemeester Bloemerts en hoe kan het ook anders, omstreeks 1738 in het bezit van Frederik Hendrik van Bentem.

Dan zijn we nu bij de Ridderstraat 24, een huis met gotische overblijfselen. Dit was in het bezit van een adellijke familie. Vermoedelijk is de bestemming hiervan een brouwerij geweest. In 1585 schenken Eijlert Bloemers en zijn vrouw Wibbe aan hun dochter Griete, de schuur, het brouwhuis met brouwgerei. Hierbij was vroeger ook een gang naar de Regenboogstraat. In 1627 verkopen Jan (Cornelis) Verdelft en Aelheijda Schulten dit pand aan Hendrik van Munster, heer van Ruinen en zijn vrouw Margaretha van Asewijn. Hierdoor kwam het door verwantschap en erfenis in bezit van de graven Van Rechteren. U ziet dan ook op het huis twee wapens. Het ene is dat van Hasselt, de andere van het geslacht Van Rechteren. Zij woonden er zelf niet, maar verhuurden dit geheel; het grote huis met het zijdehuis. De naam van dit geheel is dan ook de Rechterse Huizen. Het werd vaak aan belangrijke personen verhuurd.

In het midden van de 17e eeuw was het niet mogelijk om te blijven in een klooster bij Hasselt. De geestelijke vrouwen in het Zwartewatersklooster moesten elders hun onderkomen zoeken. Zo werd van 1658 tot en met 1664 de Rechterse Huizen verhuurd aan juffrouw Geertruijt van Bellinckhove, joffer des adelijken stiftes Swarten Water.

In 1775 schonk de Graaf van Rechteren Limpurg dit pand aan de stad met het doel dat er een Armenhuis van gemaakt zou worden tot verpleging van wezen en oude en gebrekkige lieden van de Hervormde godsdienst. Deze mensen mochten werk verrichten en zo was er in 1778 een speldenfabriek en een tabaksfabriek gevestigd. Voor reclame voor het rusthuis werd er in kranten geadverteerd. Eén van die reclames was dat iemand op hoog bejaarde leeftijd in het rusthuis was overleden en daarbij werd gevraagd hoe dat mogelijk was? Nu dat kwam door de goede pap die in het rusthuis gegeten werd. (Dit was geen reclame voor het overlijden hoor!). De volgende keer hopen we verder te gaan.

toparrowRidderstraat (3)

Laten we eens naar de overzijden van de Ridderstraat gaan kijken en wel naar de situering rondom de kerk. Ten zuiden bij de kerk en toren lag het kerkhof. Ten westen van de kerk komt u bij de kade. Van oudsher kwamen hier de schepen te liggen. Op de kade was ook de visafslagplaats waar vis verkocht werd. Er stonden aan de kade enkele huizen achter de stadsmuur en voor de kerk. Hier heeft een potten&8209; en pannenbakkerij gestaan. Het gebied daar heeft dan ook “Achter het Pannenwerk” geheten. In de 15e en 16e eeuw was daar de veerstal met daarnaast de woonplaats van een smid. In latere tijd enkele armenhuisjes.

Aan de zuidzijde van het kerkhof stond in de 15e eeuw de school en hier zal ook een steegje zijn geweest die de schoolsteeg werd genoemd (16e eeuw). Voor aan de Ridderstraat, aan de zuidzijde van de kerk (op het kerkplein) stond aan het begin van de 19e eeuw een schuur. Ridderstraat 5 zal al lang een plaats geweest zijn waar o.a. schippers als ze aan de kade kwamen hun dorst konden lessen. In 1811 woonde hier de tapper Hendrik Greve.

Dan kijken we nu naar de Ridderstraat 7 en 9. Dit waren de woonplaatsen van het geslacht Buisman. Waardoor die naam bekend is geworden behoeft geen nadere toelichting. Bij deze panden stond ook een bergplaats voor boten aan de kade. De naam van het geslacht is afgeleid van het varen op een schip “een haringbuis”. Al waren ze niet van adel, ze hadden toch een familiewapen als merkteken. Het stelt voor een haringbuis die op zee vaart. Vader en zoon Willem en Roelof Buisman woonden naast elkaar.

Willem Buisman was van beroep houtkoper en was bekend als patriot. Hij had zelfs op zijn arrenslee het symbool van de patriotten “een keezenkop”. Omdat hij patriot was kwam hij voordurend in botsing met het stadsbestuur. In 1787 werd hij buitengesloten bij de vergaderingen van ‘raad en meenthe’ als lid van de gemeenteraad der stad Hasselt, wegens zijn patriottisch gedrag. In 1795 werd hij burgemeester van Hasselt en bleef dat tot zijn dood in 1805.

Zijn zoon Roelof werd bekend door zijn praktijken als smokkelaar. In 1796 verscheen er een jacht van de admiraliteit te Hasselt om het huis te doorzoeken van Roelof Buisman omdat hij thee gesmokkeld zou hebben. Burgemeester Willem Buisman wilde hen de sleutel van het huis niet geven en zo trokken er enkele gewapende mensen naar het huis van Roelof Buisman. Willem Buisman hield hen tegen zeggende dat wie er het huis binnen wilde door hem voor de kop geschoten zou worden. Hierop werd gevraagd om hulp te Zwolle. Er kwam een groep van 30 man Bataafse Infanterie en met behulp van hen werden 180 kisten thee in beslag genomen. Willem Buisman was ook één van de schenkers van het orgel in de Grote Kerk en als zodanig komt zijn naam ook op het orgel voor. Hopelijk wandelen we de volgende keer iets verder.

toparrowRidderstraat (4)

Tegenwoordig kan men niet veel meer zien van de oude stadsmuren en stadspoorten die er in Hasselt waren, maar toch is er nog iets over gebleven en wel aan de rechterzijde van de Ridderstraat. U ziet hier de Vispoort of ook wel de Waterpoort genoemd daterend uit de 14e eeuw. In het verleden stonden aan de rechterzijde van de straat aan de waterkant geen woningen omdat de stadsmuur daar liep behalve enkele bij de Vispoort. In 1487 verkoopt Johan Alfersoen een huis waar aan de ene zijde de Vispoort en Vissteeg ligt en aan de andere zijde een huis van de stad Hasselt. In het begin van de 19e eeuw stond er na het pand Ridderstraat 11 alleen nog maar een armenhuisje en verderop een huis van een winkelier. De huizen hierna zijn over de stadsmuur heen gebouwd wat ook nog te zien is omdat ze iets scheef staan.

15 Ridderstraat (4) VispoortBij de Vispoort heeft waarschijnlijk ook de familie Bos gewoond. Zij waren doordrongen van geestelijk leven. Zelfs zo dat hun kasboek tussen allerlei zakelijke aantekeningen vol stond met fragmenten van preken en teksten. Een van hen had het aan het eind van zijn leven erg moeilijk en voor zijn dood schreef hij: “Mijn geest die dooft, de tijdsure gaat af en ik verwacht niets zekerder dan het graf. Mijn dagen zijn gekeerd, zij zijn overleden, Mijn gedachten gestreken verstrooit als kaf. ’t Perst mij alles, dat mij ooit vreugde gaf. De schone dag verkeert in duisterheden, angst. ’t Kruis. De schone heden, angst. ’t Kruis belooft veel vrede. Mijn bed moet ik gaan stellen hier beneden, het donkerste vuiligheid”.

Dan kijken we nu naar de linkerzijde van de straat. Ter hoogte van Ridderstraat 30 heeft een huis gestaan dat bekend stond als “De Rode Leeuw”. Lopen we dan door dan zien we de panden Ridderstraat 40 en 42. Dit zijn gotische gebouwen, aaneengesloten gebouwd, met een 19e eeuwse voorgevel. Vermoedelijk loopt hiervandaan nog een onderaardse gang achterlangs naar Ridderstraat 24. Wat de oorspronkelijke bestemming geweest is dat is niet duidelijk. Wel hebben in de huizenrij hier belangrijke personen gewoond, zoals een dokter Waterman, een Claas van Galen en burgemeester Cotgen (17e eeuw). In het bezit van de burgemeester Jacobus van Zuylen Gerrit Cluwer (18e eeuw) Exalto d’Almaras en Zacharias Tijl, vrederechter (19e eeuw).

Nu even de aandacht voor Ridderstraat 48. In Hasselt is er een gemeenschap van joden geweest. Zij hadden het wel moeilijk omdat ze niet in de gilden mochten. Dit hield in dat zij geen ambacht mochten voeren. Zij waren aangewezen op de handel en het venten. Wilden ze in de stad komen wonen dan moesten ze eerst een paspoort of een bewijs van goed gedrag overleggen. Er waren vele bedenkingen tegen de joden. In 1778 woonde er een jodendokter te Hasselt waarbij een vrouw van de gereformeerde religie logeerde, waarbij de gemeente “allerlei nadelige gedachten maakte en men verscheidene denkbeelden vormde, ja vreesde voor onaangename gevolgen”. Na de Franse revolutie ontstond het denkbeeld van : “Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap”. Hierdoor werd het mogelijk voor de joden in het begin 1800 een eigen synagoge te stichten zich bevindende in het pand Ridderstraat 48 met een schoolgebouw. In 1847 leed het gebouw nog schade door storm. Door de oorlogsjaren is de synagoge en de joodse gemeenschap doordat veel joden weggevoerd waren, verdwenen. Het synagogegebouw is verloren gegaan, de Torarollen, rituele voorwerpen en het meubilair eveneens. In 1947 is de Joodse gemeente Hasselt opgeheven en bij die van Zwolle gevoegd. Het pand heeft vanaf 1949 tot 1958 dienst gedaan als pakhuis en is in het laatst genoemde jaar afgebroken. De nieuwe locatie met hetzelfde adres heeft in de loop der jaren na verbouwingen, dienst gedaan als woonhuis en later bedrijfspand. Zo hebben er een supermarkt en een zeilmakerij gebruik gemaakt van het pand. Sinds kort is er een kapsalon gevestigd.

Rechts aan het eind van de Ridderstraat was in het verleden nog een bolwerk, dat Meijers bolwerk genoemd werd. In de 17e eeuw werd achter “Meijers hoff op ten hoeck gemaect ’n eicken solder met een levij daerop ende daerop een schiltwachthuis”. Hiervoor lag van ouds een scheepstimmerbedrijf dat in de 18e eeuw “De Hellinge” genoemd werd.

De volgende keer hopen we iets verder te wandelen.

toparrowIngang Stadsgracht

Nu staan we op de hoek van de gracht, waar de gracht uitkomt in het Zwartewater. Even een moment om stil te staan en te denken over de ligging van Hasselt aan het Zwartewater en daardoor het strategisch belang en de oorlogen daardoor ontstaan.

Hasselt heeft in het begin wel eens een brug over het Zwartewater willen hebben met het gevolg ervan dat de stad van de passerende schepen tol mocht heffen. Zo was het in 1486 en in het begin van de 16e eeuw. Zwolle kon dit niet dulden en zo ontstond er strijd. In 1522 was Hasselt met de bouw van een brug bezig. Ze mochten toen een brug bouwen van een bisschop, eigenlijk te zien als een soort beloning voor trouw. Voorheen had Zwolle partij gekozen voor de Hertog van Gelderland. Zwollenaren en Geldersen vielen in 1521 Hasselt aan, maar werden afgeslagen. In 1524 koos Zwolle weer partij voor de bisschop en moest Hasselt de brug weer afbreken.

16 Ingang StadsgrachtHasselt had veel belang in de scheepvaart. Het was een overslagplaats voor Bentheimer steen en diverse andere producten. Dit werd aangevoerd en van daar verder vervoerd het achterland in. Dit was voor Hasselt erg belangrijk maar toch ook weer zwak. U hebt misschien wel eens gehoord over het turfschip van Breda. In Hasselt gebeurde dit staaltje eerder. In 1527 kwam er een schip bij Hasselt. Dit schip werd aangehouden met de vraag “wat er op het schip vervoerd werd”. Het antwoord was “Bentheimer steen”. Toen riep Magere Hein de helper van de hertog van Gelderland: “Rijst op ballast”. In het schip waren Gelderse soldaten verborgen en werd Hasselt bij verrassing ingenomen. In 1528 werd de stad weer bevrijd.

In 1657 werd Hasselt belegerd door Zwolle en Kampen. Er werd enorm gevochten. Vrouwen en kinderen vochten zelfs mee. De kerk kreeg 12 kanonschoten, de school twee en tevens werd er geschoten op raadhuis en gasthuis. Van de tegenstanders werd beweerd dat “Sy hadden Hessen tot konstapels, gelyk als Biliam gehuyrd was om godts volck te vloecken”. De burgerij is 5 à 6 nachten niet uit de kleren geweest. Hasselt doorstond dit beleg: “De Heere heeft syn hand voir ons gesonden en heeft bewaert uytgenomen 2 syn doot in onse stadt een out man met een jonge knecht, die Heere sy gelooft die ons niet in des vyandts handt heeft overgegeven. Gij Borgers van Hasselt Syt dit gedachtig neemt Geen meer Swolschen en Campers in als ghy mij Machtich want dat sy u vijandt binnen Connen sy niet ontkennen.”

De gracht kreeg pas betekenis door de aanleg van De Dedemsvaart. Tussen Brouwersgracht en Heerengracht was het gedeelte dat De Haven genoemd werd. De gracht werd de doorvoerplaats voor schepen die door De Dedemsvaart voeren naar het achterland. De aanleg van De Dedemsvaart hier werd zelfs door Zwolle betwist want zij wilden een vaart van Zwolle naar Hardenberg. Dankzij Koning Lodewijk Napoleon werd de vaart aan Hasselt toegewezen. Secretaris Tijl liet de plannen aan de koning zien bij zijn doorreis door Hasselt. Deze zag in dat de vaart vanaf Hasselt een kortere weg was. De middenstand in Hasselt had er ook baat bij. Er ontstonden allerlei winkeltjes aan de grachten.

toparrowBrouwersgracht

Laten we eens een wandeling langs de gracht maken. Evenals het andere gedeelte van de gracht biedt het verleden weer weinig aanknopingspunten. Alle huizen werden vóór de 19e eeuw aangeduid als liggende aan de gracht. Pas in de 19e eeuw komen de namen Brouwersgracht en Heerengracht voor de dag. Allereerst lopen we de Brouwersgracht eens op vanuit de Ridderstraat. De vraag komt: “Waarom Brouwersgracht? Dan zal er toch een brouwerij geweest moeten zijn.” Die was er ook ongeveer ter hoogte van Brouwersgracht 16. In het midden van de 19e eeuw waren er enkele predikanten: ds. Griethuizen en ds. Bruna. Deze hielden er niet van om elke zondag dienst te houden. Ze verzuimden veel diensten en lieten gezangen zingen. Vele leden van de hervormde gemeente vergaderden hierom apart en kwamen in het voornoemde pand bijeen.

Voorheen in de 17e en 18e eeuw is dit waarschijnlijk een pannenbakkerij geweest van het geslacht van Bentem. In 1778 verkocht Hendrik van Bentem de pannenbakkerij aan de Sociëteit van de Toebaksplanterie.

Dan ziet u hierna de Regenboogstraat. Waarom die steeg zo genoemd werd is duidelijk. Misschien omdat het in een boog achter de Ridderstraat langs loopt of omdat er een huis gestaan heeft, dat de Regenboog genoemd werd. De weinige huizen die er stonden behoorden toe aan bewoners van de Ridderstraat. Verder stonden er enkele armenhuizen.

De rest van de Brouwersgracht tot aan de Nieuwstraat was in de 17e eeuw onbebouwd. Waarschijnlijk was het niet fijn om hier een woning te bouwen. De sluis lag er dicht bij (De Verlaatsbrug). Er was vaak een vrij hoge waterstand in de gracht en dan was het juist daar waar het wel eens onder water stond. Pas in de 18e eeuw is men daar beginnen te bouwen.

In het begin van de 19e eeuw woonde er in het pand Brouwersgracht 15 een doodgraver. Ter hoogte van Brouwersgracht 13 en 14, wat eerst tot de armenstraat behoorde, heeft een hervormde pastorie gestaan, waarschijnlijk door de ontwikkeling als beschreven bij Brouwersgracht 16. Ter hoogte van Brouwersgracht 4 was een weeshuisje met een wezenkamer erbij. Dit pand werd verhuurd vanaf 1760 aan allerlei zwervende mensen, dus geen inwoners van Hasselt. Eind 18e eeuw woonde er de jood Berend Eleazar, van beroep voorzanger. Het pand op de hoek Nieuwstraat&8209;Brouwersgracht was eens de woonplaats van de familie Ridderinkhof.

Dan gaan we nu de brug over en komen op de Heerengracht. Misschien zo genoemd omdat er veel kooplieden gewoond hebben. Het had ook Schippersgracht genoemd kunnen zijn, omdat er veel schippers aan woonden. Heerengracht 6 is een erg oud pand met aan de straatkant nog een steen met de datum 1592. Heerengracht 19 is een opvallend pand omdat hiervoor nog een trapje staat. Dit moet in het verleden ook al opvallend zijn. Het huis werd “Het Trapje” genoemd. In 1745 was men op zoek naar een misdadiger nl. Hendrik Engels. Deze had overnacht in de herberg De Zwaan (Ridderstraat). Hij had gestolen te Wolfshagen en was ook geweest bij het huis van Harmen Cluwer “of wel des selfs vrouwe door de wandeling lompen Claasje genoemd, woonende op de gragte in een huijs met een optrap, handelende in oud linnen en andere goederen.” De volgende keer hopen we weer verder te wandelen.

toparrowHeerengracht

Daar zijn we weer. Waar waren we ook weer gebleven? O, ja, op de Heerengracht. Dan gaan we nu even bij Heerengracht 16 staan, wat vroeger de ambtswoning van de burgemeester was. U ziet ernaast de Ziekenhuisstraat liggen. Vroeger kon je hier ook vanuit de Regenboogstraat komen over een brug die daar over de gracht lag. Vermoedelijk was deze straat vroeger de Mulertsteeg. Hier was dan het woongebied van het geslacht Mulert. Nu zult u zich wel afvragen: Was dit geslacht zo belangrijk? Ja, het is één van de oeradellijke geslachten van Overijssel. De eerste bekende Mulerts in Hasselt (vanaf 1363) hadden het vertrouwen van de bisschoppen van Utrecht. Het geslacht heeft schouten, schepenen en drosten e.d. voortgebracht. Het zijn de voorouders van Koningin Elisabeth van Engeland.

17 HeerengrachtHun wapen zag er als volgt uit: In goud drie zwarte schepers. Helm met zwart gouden wrong en goud zwarte dekkleden. Helmteken: drie zwarte lisdodden op gouden stengels. Schilhouders: twee roodgetongde bruine griffioenen.

De Mulerts ijverden steeds voor de rooms katholieke leer. Zo hadden zij een belangrijk aandeel in de stichting en uitbreiding van kloosters. De tijdelijke stichting van een klooster op de Westerhof te Dalfsen en het verlenen van hun medewerking bij de kloosters “Het Mariënklooster” in de Gasthuisstraat en het klooster op de Agnietenberg bij Zwolle van de moderne devotie (Thomas à Kempis)”. Ze hadden erg veel invloed. Dat wil niet zeggen dat ze zich altijd netjes gedroegen. Hoort u maar eens wat ze deden omstreeks 1460. Hessel Mulert had het wijf van Floreke geslagen. Johan met een kan gegooid zodat hij “bloodede”. Een vreemde man met de vuist geslagen. Hij heeft een mesgevecht gehad. Hij had Engbert Koylert uitgescholden voor “vuile kerel en schalk”. In 1460 hadden ze zelfs een familieruzie onderling, waarbij gedreigd werd met op de mond slaan en met stenen gooien.

Ze durfden zich te verzetten tegen het stadsbestuur en deden daarbij een beroep op de bisschop van Utrecht. In 1514 had de raad van Hasselt een boomgaard van Roelof Mulert om laten hakken voor het leggen van een weg. Hierop verzoekt de bisschop van Utrecht: “Roelof Mulert, ongemoeid te laten”. De stad brak zelfs eens een huis van de Mulerts af voor het repareren van de stadspoorten en muren. De reformatieperiode brak aan (1580). Hierdoor kregen de Mulerts het moeilijk. De echtgenote van Ernst Mulert begaf zich nog wel onder het volk om hun tot opstand op te wekken. Maar dat hielp niet. Zo verdween ook de naam Mulertsteeg en zo komen we op den duur aan de naam Ziekenhuissteeg.

Aan de rechterzijde ziet u huis nr. 7 dat het ziekenhuis werd (vermoedelijk in 1617). Op 1 november 1832 werd dit ziekenhuis nog verbeterd en de bewoners ervan moesten in de huisjes van de armen op de hoek van de Hoogstraat gaan wonen. Bij dit huis hebben ook nog ijzeren kooien gestaan waarin geesteszieken gevangen gehouden werden. Hierachter op de hoek rechts was in 1832 een leerlooierij. Liep men in het verleden deze straat uit dan kwam men bij de stadsmuur waarachter de gracht liep.

toparrowHet Eiland (1)

Laten we de Heerengracht eens verder afwandelen. Aan het eind van de gracht ziet u als het ware een locomotief met wagons erachter. Het huis op de hoek van het Eiland en de gracht is hoger dan de achterliggende huizen. Dit moet ook in het verleden de wandelaar al opgevallen zijn. Je zou het dan ook “het hoge huis” gaan noemen.

In 1801 verkocht de gewezen sociëteit van de toebaksplanterie een pand staande op de hoek van het Eiland aan P.D. Suerdfeger, waarvan de andere helft aan secretaris M.Z. Tijl toebehoorde. Het pand werd “Het Hoge Huis” genoemd. In de 17e eeuw wordt een Gese in Het Hoge Huis genoemd. Concentreren wij ons op dit hoekpunt dan kunnen we haast vermoeden dat de panden op de gracht “de wagons” er bij hoorden. Nog enkele berichten hierover: “In 1727 laat Frederik van Bentem na ’t huys en were op de hoek van ’t Eiland naast dat van burgemeester Bernardus Heisman met een keukentje met een uitgang op de gracht.” In 1751 wordt het nogmaals als Bentems bezit genoemd. Het pand hierna op het Eiland was in 1832 bewoond door de tapper G. Determan.

18 Het EilandDan gaan we nu de straat in die men tegenwoordig Eiland noemt. Zou dit altijd zo geheten hebben? Vermoedelijk niet. We zullen het hele terrein moeten bezien tot de Eikenlaan. Het gebied werd in de 15e en 16e eeuw “De Enk” genoemd.

Pas in de 17e eeuw komt de naam Eiland op. Dus niet voor de straat maar voor het hele gebied. Waarom? Daar kunnen we alleen maar naar gissen. Misschien dat het gedeelte er omheen vroeger onder water stond of omdat het ingeklemd lag tussen de oude stadsgracht en de binnengracht. Misschien moeten we kijken naar de oorspronkelijke betekenis van het woord “Eiland” als uitland. Denk aan het woord ellendig als uitlandig (Adam en Eva buiten het paradijs). Dit gedeelte lag buiten de oude stadskern. In ieder geval de straat werd nog geen Eiland genoemd. In 1736 wordt er aangetekend “De straat op ’t Eiland defekt”. Belangrijk en het bekendste op dit terrein is wat men “De Heilige Stede” noemt. Dit was een “Heilige plaats” waar van oudsher diverse pelgrims kwamen om die plek te bezoeken. Ongeveer op die plek te bezoeken. Ongeveer op die plek waar diverse mirakelen of wonderen zouden zijn gebeurd.

Voor en over het ontstaan had men het volgende verhaal: In 1217 was er in Friesland een kampvechter die erg veel dronk (niet alleen water) en als hij thuis kwam sloeg hij zijn vrouw en roste haar af. De vrouw werd bang voor haar man en hield zich op een dag ziek en men haar “Het Lichaam des Heeren”, wilde geven. De priester kwam en de kampvechter bood hem een beker bier aan. De priester weigerde dit. De kampvechter sloeg toen de priester op dusdanige wijze dat de beker met de hostiën uit zijn handen viel. De kampvechter werd in de ban gedaan. Hij trok naar Rome naar de paus om boete te doen. Als straf zou toen een deel van Friesland onder water gelopen zijn in 1218 (De St. Marcellusvloed). De beker zou door het water weggespoeld zijn en ergens op een plaats aangespoeld zijn. Op die plek bouwde men een kapel. Men vermoedt dat dit de plaats van de Heilige Stede is. De volgende keer hopen we hier meer van te horen.

toparrowHet Eiland (2)

Wanneer de Heilige Stede gesticht is, is niet bekend. Men vermoedt in het begin van de 14e eeuw. Er is een oorkonde aanwezig van 1328, maar die is vermoedelijk vervalst. Overal uit de omgeving kwamen er mensen om de Heilige Stede te bezoeken. Een en ander werd ook bevorderd door de bisschoppen van Utrecht. Zo gaf b.v. Floris van Wevelickhoven een aflaat van 40 dagen aan degenen die deze plaats bezochten. Van Dale zegt hierover: “Een aflaat is een kwijtschelding van die tijdelijke straffen welke men na de vergeving der zonden, hier of in het vagevuur nog zou moeten ondergaan. Verder zullen we niet veel op de geschiedenis van de Heilige Stede ingaan daar hierover al genoeg bekend is. Jaarlijks omstreeks de 2e zondag na Pinksteren was er een groot feest in de stad “De Hasselter Aflaat”. Men ging dan in processie van de St. Stephanuskerk naar de Heilige Stede door de straten van de stad. De straten werden schoongemaakt en de stad versierd voor dit feest. Diverse hoogwaardigheidsbekleders kwamen de stad bezoeken, o.a.: de stadhouder, de abt van Dikningen, de abt van het klooster op de Agnietenberg te Zwolle en van het Zwartewaterklooster. Die werden vereerd met geschenken. Het volk hield zich die dag bezig met allerlei volksvermaken.

19 Het Eiland H StedeDe tijd van de reformatie brak aan. Het stadsbestuur sympathiseerde nog wel met de rooms&8209;katholieke bevolking maar was gedwongen om de rooms&8209;katholieke diensten tegen te gaan. Omstreeks 1580 heerste de pest in Hasselt en men besloot van stadswege om bij de Heilige Stede een pesthuis in te richten. Hiertegen kwam natuurlijk verzet van diverse mensen. Zo dreigde een zekere Jacob Koster tegen de gemeenteraad dat als zij besloten de Heilige Stede tot een pesthuis te repareren, zij er rekening mee moesten houden dat er het volgende jaar wel eens een ander gemeentebestuur aan de macht zou kunnen zijn. Voor deze uitspraak kreeg hij een geldboete. Hierop liet de vrouw van Jacob Koster weten dat degenen die besloten hadden tot de inrichting van het pesthuis, zelf de pest maar moesten krijgen.

In die jaren waren er ook enkele conflicten met de rooms‑katholieke familie v.d. Wilp die bij de Heilige Stede woonde. Zo werden ze aangemaand om de erfscheiding met de Heilige Stede op een fatsoenlijke manier te herstellen. Het volgende overkwam een van de wachters van de Enkpoort. Hij meende in de gracht (tegenwoordig Eikenlaan) een grote snoek te zien zwemmen. Uit nieuwsgierigheid klom hij van de poort af en kwam in de hof van Johan v.d. Wilp bij de H. Stede. Hier meende hij brand te bespeuren en kwam in gevecht met de voornoemde v.d. Wilp.

Op 26 oktober 1582 werd de kapel geplunderd. In 1590 werd opdracht gegeven de kapel af te breken en de stenen van de kapel werden bij opbod verkocht. Van die stenen werden ook enige huisjes gebouwd. Om bedevaartstochten tegen te gaan werden er diverse plakkaten uitgevaardigd. Op de Heilige Stede kwam o.a. een vuilnisbelt. Bij de Heilige Stede was ook een kerkhof en hier kwamen in 1614 18 soldatenhutten te staan. In latere tijden kwamen er nog seizoenarbeiders uit Hannover en Westfalen, die hier nog even bleven op hun doortocht.

toparrowDe Enkpoort

Aan het eind van de tegenwoordige straat “het Eiland” lag in het verleden een poort. Dit was een grote binnenpoort waardoor men binnen moest om in het oude stadsgedeelte te komen. Het voorliggende gebied werd wel eens de Enk genoemd. Vandaar dat de poort “De Enkpoort” genoemd werd. Hierna kwam men over een brug over de Binnengracht (Eikenlaan). Hierna had men rechts een bolwerk aan het Zwartewater welke vormgeving nu nog te zien is (gebied voor Haven de Beer) en links een bolwerk (plantsoen en begraafplaats). Hierna kwam men bij de Buitengracht waar de buitenpoort stond en men over een brug over de Buitengracht kon (ongeveer bij de oprijlaan naar het kerkhof). In het verleden werd de eerstgenoemde poort ook wel de Heilige Stedepoort genoemd omdat het vlak bij de Heilige Stede lag. In later tijden ging de benaming Enkpoort over op de buitenpoort.

Bij de Enkpoort lag de stadsmuur. In 1627 werd de oude stadsmuur afgebroken. In 1675 moesten de beide bruggen buiten de Enkpoort vernieuwd worden omdat ze helemaal vergaan waren. In vredestijd werden de torens bij de poorten vaak verhuurd. Dan kreeg de toren ook vaak de naam van degene die de toren gebruikte. Zo was een toren bij de Enkpoort in gebruik bij ene Wolthuis en werd de Wolthuistoren genoemd.

In tijden van oorlog was de stad goed verdedigbaar. De bruggen over de grachten waren ophaalbruggen en na de grachten kwamen de al eerder genoemde bolwerken met aarde opgehoogde wallen. Deze wallen waren vaak weer afgezet met palen, omheiningen en doornheggen. Menigmaal moest het stadsbestuur publicatie doen tegen burgers die over de wallen liepen door de doornheggen omdat zij bij de grachten wilden komen waar ze houtvlotten hadden liggen.

Het rechterbolwerk diende ter bescherming van de stad voor aanvallen van de waterzijde. Het stak uit in het Zwartewater met aarden wallen met schietopeningen erin. Hier kon men ook de schepen aanhouden op het Zwartewater. Dit bolwerk werd het “Diamantenbolwerk” genoemd. In 1662 leed dit bolwerk nog grote schade, het neervallen van een muur door hoge waterstand en stormwind.

Het linker bolwerk diende om aanvallen van de landzijde tegen te gaan. Dit bolwerk werd “Het Holten Wambuis” genoemd dat in 1675 nog hersteld en gerepareerd werd. Dit heeft te maken met een houten bedekking voor de stad. Van Dale: Een wambuis is een mansbovenkleding dat het lijf van de hals tot aan de middel bedekte. Dit bolwerk bedekte ook ongeveer de helft van de stad aan die zijde. Het volgende speelde zich in dit bolwerk af. In 1657 was Hasselt in oorlog met Zwolle en Kampen. Hasselt werd belegerd vanaf de zijde van Het Holten Wambuis. Er werden op 27 en 28 mei 780 schoten gelost. De 28e mei verloor een oud man van 80 jaar zijn hoofd door een kanonskogel. Een jonger iemand werd eveneens het hoofd afgeschoten.

De buitenpoort werd later de Enkpoort genoemd. Hierbij stond een kruittoren. Deze was in 1643 vernieuwd. Het diende voor de opslag van kruit. Deze werd in 1821 voor afbraak verkocht. In de loop der tijden werd alles afgebroken en de bolwerken werden verlaagd. Deels ook door diefstal van zand. Zo werd in 1803 nog een beloning uitgeloofd van fl. 25,– voor het aanbrengen van iemand die stiekem zand uit de bolwerken groef en wel in het bijzonder bij de Enkpoort.

Het Diamantenbolwerk veranderde in een grote bleek voor het drogen van wasgoed en turfmarkt in de 19e eeuw.

toparrowDe Stenendijk (1)

U hebt de vorige keer gezien hoeveel oorlogen Hasselt gehad heeft. Voortdurend moest er aandacht geschonken worden aan de verbetering van de vestingwerken. Maar dit hoefden ze niet alleen te doen. Op de kerspellieden van Staphorst en Rouveen rustte de plicht om te helpen. Zij moesten ook helpen de stadsgrachten schoon te houden. In de loop der tijden accepteerden de mensen uit Staphorst en Rouveen dit natuurlijk niet meer. Toen Hasselt in 1622 aan hen opdracht gaf om de grachten uit te graven, weigerden ze dit.

Hasselt had ook voortdurend met militaire zaken te maken. Was het in oorlogstijd een inkwartiering van troepen, in vredestijd was er een eigen burgerwacht. Dit was niet altijd tot genoegen van de burgers. Zo werd er in de 18e eeuw een burgersergeant benoemd door de krijgsraad, tot ergernis van één van de burgers, die er een smaaddicht op maakte. Hier volgt een fragment uit dit gedicht:

Hebt ghi luiden niet vernomen wat tot Hasselt voer en quant,

door becuipingh heeft bekomen, ’t ampt van een borgersergant.

Of de krijgsraet niet en wisten dat hie op een ander jaer,

met de raet en meente twisten en seer gaarne schoute waer.

Soud men al de parten stellen, van dien opgeblasen aep,

’t gasthuis boeck can ’t u vertellen, daer staet trientien ’t sachte schaep.

Meerder sond men connen hebben, maer daer moet wat blijven in,

wilt op meen voerder letten, ijder mensche heeft een sin.

20 Stenendijk (1) Molen

Dan gaan we nu aan de Stenendijk kijken. Daar ziet u nu een molen staan van het bouwjaar 1850. Voorheen van oudsher af stond er ongeveer op dezelfde plaats ook een molen. Wie in het bezit was van een molen was vaak ook in het bezit van het zgn. windrecht. Dit hield in dat de bezitter het alleenrecht had in de hele stad en omgeving om het koren te malen. In de 16e eeuw was het windrecht in het bezit van het geslacht van Twickelloo. Er kwam een conflict met de stad. De molen van Frederik van Twickelloo verbrandde tijdens de Gelderse oorlogen in 1528. Hij beschuldigde de burgers van de stad ervan dat zij de brand niet hadden voorkomen. Hij liet hout komen en bergen bij de Heilige Stede en stadsmuren om een nieuwe molen te bouwen. De burgers van Hasselt legden er beslag op voor gebruik; het maken van de bolwerken. Zo kwam het tot een rechtszaak tussen de stad en hem van de jaren 1540 t/m 1542, omdat de stad een nieuwe molen zou laten bouwen. De zaak werd o.m. behandeld door de richter van Hardenberg. Frederick zou f 500,‑‑ schade hebben geleden en hij gunde de stad het windrecht niet. In 1562 verkocht zijn zoon Jr. Jasper van Twickelloo de molen aan de stad. Zo was de molen in stadsbezit gekomen.

In 1674 zou de molen bij opbod verkocht en in erfpacht gegeven worden aan de meestbiedende. Men ging als volgt te werk: De verkoper stak een paar kaarsen aan. Degene die bij het opbranden van de kaarsen het meest geboden had verkreeg de molen. Aldus kreeg Henric Alberts Pinxterman de molen met het daarnaast gelegen molenhuis in bezit. Hij kreeg dit wel onder bepaalde voorwaarden. Hij kreeg een maalloon; hij moest éénmaal per dag met de kar in de stad komen; hij moest de molen met goede stenen onderhouden; de burgers uit de stad mochten alleen maar bij hem malen; er mocht geen molen in de buurt bijgebouwd worden. Daar deze verkoop gedaan werd tijdens de regering van de bisschop van Munster (bezettingsperiode) mochten de burgers de 3e juli tegen klokslag half drie hun bezwaar tegen de verkoop kenbaar maken op het stadhuis. In 1783 mocht er een nieuwe molen gezet worden. Deze kwam aan burgemeester Willem Buisman. De erfgenamen van hem verkochten de molen in 1822.

toparrowDe Stenendijk (2)

Even voorbij de molen aan de linkerzijde van de dijk stond in het verleden een herberg. Dit was een gunstige plaats voor een herberg. De dijk was de toegangsweg voor reizigers vanaf Zwolle. Deze herberg lag buiten de stadspoort zodat mensen die de stad niet in konden omdat de poorten gesloten waren altijd hier nog konden overnachten. Hier konden ook de voerlieden hun paarden voor de rijtuigen en wagens verwisselen. Vandaar dat in 1800 de herberg in handen was van het voerliedengilde. Hij werd toen verkocht aan Berend Willems. Het bleek dat de herberg “De Prins” heette. Het buitendijks land er tegenover werd “Het Prinsenland” genoemd. Wat naamgeving betreft zou sporthal “De Prinsenhof” eigenlijk aan de dijk kunnen liggen.

Dit is een geschikt moment om even stil te staan bij de watersnoodramp de 4e en 5e februari 1825 te Hasselt. Door de slechte toestand van de dijken, de storm en de watervloed braken de dijken door. Bij herberg De Prins stroomde het water naar binnen. Het voorste gedeelte van het huis stortte helemaal in en op de plek van de herberg vormde zich een kolk. Deze kolk is inmiddels al lang weer gedempt. De wallen vanaf de Enkpoort tot aan het Eiland waren op diverse plaatsen doorgebroken. Het Diamanten Bolwerk (bij Haven de Beer) stortte in. De dijk bij de Veenepoort brak door. De gehele stad liep onder water. In sommige huizen stond het water een el en twintig duim hoog. De bewoners moesten de vlucht nemen op de bovenkamers. Er werd gevreesd voor verlies van goederen. De bewoners van de grachten moesten dammen aanleggen om het water te keren. Een lading turf op de Turfwal spoelde helemaal weg. Mensenlevens liepen gevaar. Bij de Vaartdijk werd een huisgezin met een schuit gered door moedig optreden van vrienden en bekenden.

Bijzonder geprezen werd schipper Harm Doorn. Hij ging met zijn schip op vaart om mensenlevens te redden. Aan de Hasselterdijk zagen diverse mensen een gewisse dood tegemoet. Zij zaten op zolders. In totaal redde hij 40 mensen tijdens die dagen totdat hij niet meer in kon nemen. Vele personen waaronder in het bijzonder vrouwen moest hij door het water in het schip dragen. Hierbij bevond zich ook een vrouw die elk moment kon bevallen van een kind. Er werd veel schade geleden. Het land was lang nadien niet meer bruikbaar. Veel vee was verdronken. Ze hadden nog wel vee kunnen redden door ze in de Grote Kerk te drijven. In de Grote Kerk konden ze geen diensten meer houden. De grond van de kerk was verzakt en diverse graven waren ingestort. Veel inwoners hadden geen inkomen meer. Ze konden niet meer aan het werk omdat ze niet meer over de wegen konden.

Droevig is het te merken dat in de nooddagen er voorzorgsmaatregelen moesten worden genomen om roverij en plundering te voorkomen. Dit werd opgedragen aan de schutterij die wacht moest houden. Toen alles weer rustig was werden er schuiten gestuurd naar Staphorst en Rouveen om daar de mensen van levensmiddelen e.d. te voorzien. Er werd een commissie van weldadigheid ingesteld die zich bezig hield met gratis vestiging van 30 huisgezinnen. Er werd een verzoek gericht aan de regering om van rijkswege de toestand te herstellen. Zo werden velen geholpen.

toparrow1657

Bij het gemaal verderop bij de Stenendijk werd in 1621 een voorpost verdedigingswerk gebouwd. Een kleine stenen schans die men “Redoute” noemde. Hiermee kon men krijgsvolk tegenhouden dat vanaf Zwolle over de dijk naar Hasselt ging. Deze schans was groot genoeg om een kleine groep krijgsvolk te herbergen. Het had een borstwering en een poort met een deur die men op en neer kon hijsen die groot genoeg was om een paard met zadel binnen te laten. Binnen waren 10 bedsteden als slaapplaatsen en een zitbank. Aan de muur waren plekken gemaakt waaraan men gemakkelijk wapens op kon bergen zoals musketten. Er waren twee trappen en een ladder om naar boven te klimmen. Tevens was er een toilet. Bovenop het geheel stond een schildwachthuisje met kijkgaten erin.

Bij het beleg van Hasselt in 1657 trachten de Hasselters deze redoute te betrekken maar die van Zwolle waren er eerder. Reeds enkele malen is het beleg van Hasselt al genoemd, daarom zullen we nu eens verder op deze geschiedenis ingaan. Dit beleg vond zijn oorzaak in een groter verband. De stadhouder Willem II was overleden. Hierdoor viel de functie van het stadhouderschap open. Vooral de Staten van Holland wensten geen stadhouder meer. In 1651 veroorzaakte dit zelfs een scheuring in de Staten van Overijssel. Er ontstonden partijen tegenover elkaar waarbij als voornaamste steden: Deventer die geen stadhouder wilde en Zwolle en Kampen die dit wel wilden.

Dit kwam tot een botsing in 1653. In dat jaar stierf de landdrost van Twente en in 1654 moest er een nieuwe drost gekozen worden door de Ridderschap en Steden van Overijssel. Zwolle en Kampen en 42 edelen brachten een kandidaat naar voren “Van Haersolte”. Deze was oranjegezind. Dit was de meerderheid der stemmen. Maar de andere steden gingen daarmee niet akkoord en brachten onder leiding van Deventer een andere kandidaat naar voren, maar zij waren in de minderheid. Hierdoor kwam er een enorme scheuring in de staten. Men ging zelfs apart vergaderen. De meerderheidspartij vergaderde meestal te Zwolle en de minderheidspartij te Deventer. Het kwam ook ter sprake in de Staten‑Generaal, waarin de provinciale afgevaardigden zaten.

Nu is de vraag, aan welke zijde stond Hasselt? Hasselt was niet oranjegezind dus ook niet voor een stadhouder. Ze behoorden dus tot de minderheidspartij en verbonden zich met Steenwijk. Hasselt bracht in die tijd, ontstemd als het was, een gedrukt geschrift voort ter verdediging van zijn oude privileges en zijn recht van stemmen ter Statenvergadering. Dit geschrift uit 1655 en genaamd “De Deductie” verscheen met de leus “Justus non derelinquetur” (vrij vertaald: De rechtvaardige zal niet in de steek worden gelaten). Hasselt bracht zijn schattingen ook niet op te Zwolle maar te Deventer. Zwolle was hierdoor zelfs zeer boos. De secretaris van Hasselt “Telvoren” werd te Zwolle gevangen gehouden (1656) en later nog twee afgevaardigden van Hasselt te Kampen. Hasselt ging schepen aanhouden die naar Zwolle moesten.

Zie hier de situatie waarom Zwolle besloot Hasselt te gaan belegeren. Ze namen de redoute in en kwamen voor Hasselt. Stelden zich op met geschut ook aan de overkant van het Zwartewater tegenover de Veerpoort en besloten Hasselt te gaan beschieten. Ze hadden niet genoeg voedsel bij zich om te leven, stalen een koe en plunderden de omtrek om aan eten te komen.

Hasselt stond ook niet stil. Vrouwen en kinderen brachten het geschut op de wal. De wallen werden verdikt en verhoogd. De beschieting kwam. Zwolle schoot met van alles: o.a. steen en halve hoefijzers. Hasselt weerde zich daarbij, schoot het grote geschut van Zwolle tot een molshoop en deed uitvallen. In de stad waren er enkele “onderkruipers” met een vals hart die het volk onrustig maakten en zeiden dat de vijanden nog meer geschut hadden. Aan de Mastenbroekerdijk stierven naar schatting 23 mensen.

Hasselt probeerde hulp te krijgen, natuurlijk bij de staten van Holland en bij de stad Deventer. Tegen onderschepping van de vijand van deze hulpbrieven stelde men deze brieven in geheimschrift op. Deventer stuurde een troepenmacht die niet verder kwam dan De Lichtmis. Zij konden Hasselt niet bereiken over de dijk en ook niet over het water. Ze probeerden het over de Stadsweg vanaf Zwartsluis maar werden ontdekt en verjaagd.

De kwestie werd in de volgende jaren minnelijk geregeld en het relaas van Hasselter zijde werd afgesloten met: “De Heere heeft syn hand voir ons gesonden en heeft ons bewaert uytgenomen 2 syn doot in onse stadt een out man met een jonge knecht, die Heere sy gelooft die ons niet in des vyandts handt heeft overgegeven.”

toparrow1664

Nu zullen we ons in het kort even bezig houden met wat algemene vaderlandse geschiedenis en we gaan naar het jaar 1664. De republiek bevond zich in moeilijkheden. Een dreigende oorlog met Engeland verder had het moeilijkheden met de bisschop van Munster. De bisschop van Munster had ernstige grieven tegen de Staten der Nederlanden. Hij maakte aanspraken op de heerlijkheid Borculo maar dat werd afgewezen. Ook waren er moeilijkheden omtrent het briefverkeer tussen Amsterdam en Hamburg. Diverse schermutselingen vonden er plaats en de bisschop Christoffel Bernard van Galen van Munster bezette Oost Friesland. Vandaar dat men begon diverse steden te versterken en in Overijssel in Deventer kwam een Staatse troepenmacht bijeen.

Zo werd ook Hasselt versterkt. Diverse werkzaamheden werden gedaan. Zoals het verstevigen van de wallen, het herstellen van de poorten. Het opstellen van batterijen in de bolwerken. Kortom Hasselt werd gereed gemaakt voor een stevige verdediging. Hasselt werd tot bevoorradingstad uitgeroepen. Troepen kwamen uit Deventer over en Hasselt kreeg garnizoen opgelegd. Vanuit Hasselt werden de rondtrekkende Staatse troepen proviand, kruit en wapens geleverd. Een groot deel van dit proviand zoals kaas, melk e.d. werd aangevoerd uit Amsterdam.

In 1665 brak de oorlog uit met Engeland, dat een geheim verdrag had gesloten met de bisschop van Munster. In dit jaar trok de bisschop met zijn leger op en liet een verwoestend spoor van vernietiging na. Hij trok over de Berkummerbrug die afgebrand werd. Verder kwam de vijand omstreeks 3 oktober bij Staphorst en Rouveen en stuitte hier op een Staatse groep ook vertrokken uit Hasselt. Hier was de prins zelf bij tegenwoordig. Er werd gevochten bij De Lichtmis bij Het Pannenhuis. Hier was een pas, een slagboom die men moest passeren. Het werd vernietigd door de vijand. Hierna trok de vijand Drente in en verder in het Oldambt.

Bemerkte Hasselt hier ook iets van? Verteld werd al dat het garnizoen hier was en dat Hasselt voor proviand en wapens zorgde. Er ging heel wat kruit uit het magazijn van Hasselt: twee stukken geschut werden naar de schans Kijk in de Vegte gebracht (aan de Vecht). Twee metalen stukken kanon werden naar Het Pannenhuis bij De Lichtmis gebracht. Het gasthuis werd gevorderd om er zieke soldaten te verzorgen. Dat waren er nogal wat. Met rode loop, opgezwollen benen, pleuritis. Ook kwamen er gewonden binnen die gewond werden bij de schermutselingen in Rouveen. Een soldaat met een ongeluk aan de hals. Een soldaat zijn arm werd door een kanonskogel geheel te pletter geslagen onder de elleboog. Een soldaat verbrandde zijn gezicht door onvoorzichtig gebruik van buskruit. De soldaten waren niet alleen in het garnizoen. Ze hadden vaak vrouwen en kinderen bij zich. Die hadden het niet gemakkelijk. Er moesten heel wat doodskisten gemaakt worden voor gestorven kinderen van soldaten.

Het garnizoen bleef ook de komende jaren in de stad maar hierover de volgende keer meer.

toparrow1672

We zijn inmiddels gekomen in het rampjaar 1672. De republiek raakt in oorlog en wel aan drie zijden. Aan de zeezijde met Engeland, aan de zuidzijde met Frankrijk en aan de oostzijde met Munster en Keulen. Natuurlijk kreeg Hasselt te maken met de laatstgenoemden. Voorheen was de dreiging van Munster en Keulen al wel te voorzien, maar gezien de moeilijkheden waarin de republiek verkeerde moest elke stad voor zichzelf zorgen.

Dat was ook het geval met Hasselt. De stad liet de fortificaties herstellen, de batterijen verbeteren met vrijwillige hulp van de gehele burgerij. Men besloot de sluizen te openen zodat het gehele omliggende land onder water kwam te staan. In de stad bevonden zich vier compagnieën soldaten wat geen sterke troepenmacht was. Men had de beschikking over 18 kanonnen om de stad te verdedigen. Een compagnie vertrok zelfs naar Kampen zodat er onderbezetting was.

De gezamenlijke steden met Zwolle en Kampen besloten te vergaderen en te praten over de defensie tegen de oprukkende vijand. De vergadering zou te Kampen plaatsvinden, werd een dag uitgesteld en toen in de Mastenbroeker kerk gehouden. Het mocht niet baten. Spoedig kwam er bericht binnen dat Deventer was ingenomen en dat Zwolle zich had overgegeven. Even later gaf ook Kampen zich over. De stad Hasselt stond toen nog alleen tegenover de vijand.

Hasselt probeerde de defensie in orde te brengen. Men stak een brug in brand aan de Mastenbroeker Stege om het oprukken van de vijand te beletten. De schipbrug bij Hasselt werd afgebroken. De magistraat en de officieren, van de soldaten kwamen op het raadhuis bijeen en men besloot de stad verder te verdedigen. Tijdens de vergadering kwam er bericht binnen dat de vijand al binnen de stad was. Dit was mogelijk omdat de soldaten en de wacht bij de poorten waren weggelopen. Op 24 juni 1672 werd de stad overgegeven aan de bisschop van Munster. Terzelfder tijd kwam er bericht binnen dat de bisschop Hasselt vrijheid liet in de gereformeerde godsdienst.

Op 23 augustus legt Hasselt de eed van trouw af aan de bisschop van Munster. De rooms-katholieke eredienst werd weer ingevoerd. Hasselt kreeg een inkwartiering van Munsterse soldaten van 186 mannen. Deze hadden nog een groot aantal vrouwen en kinderen bij zich. De stad moest deze soldaten onderhouden en slaapplaatsen aanbieden. Natuurlijk had de stad hier geen voedsel genoeg voor. De omgeving van Hasselt werd hiermee bezwaard. Het voedsel voor de paarden kwam uit het ambt van Vollenhove. De huizen in de stad tot 250 toe hadden beschadigingen opgelopen.

Het leger bleef een paar maanden. Er kwam ook geheim verzet tegen, door de burgers. Zo werden ’s nachts diverse malen de sloten van het raadhuis afgebroken. Dagelijks werd er nog meer scherp geschoten. Schuren, hofhuisjes en dergelijke werden afgebroken en afgebrand. De vijand probeerde de stad te versterken en vorderde overal van de burgers hout. Een half afgemaakt schip dat buiten de Veerpoort lag werd afgebroken en gebruikt voor een batterij.

Toen het leger van de bisschop weer uit de stad vertrok, berokkende het de stad nog veel schade door diefstal, plundering en het inwerpen van glazen. Ene pater Rolly had het kerkenboek meegenomen. De kerk had veel schade aan de toren, klokken en orgel. De herbergen hadden veel drank verloren door het vele drinken der soldaten. De volgende jaren had Hasselt het druk met het herstel. Omdat het voor zichzelf moest zorgen leende het geld door uitgifte van obligaties.

Pas na het sluiten van de vrede van Munster (1674) was het oosten des lands weer vrij.

toparrowTot besluit

Dan zijn we nu aan het einde gekomen van onze historische wandeling. Buiten de stad bevinden zich alleen nog maar historische erven, waar we later misschien nog eens naar zullen kijken. Eén erf zullen we als voorbeeld noemen omdat het toch een opmerkelijk erf is. Dit erf staat afgetekend op de kaart van Jacob van Deventer ongeveer ter hoogte van de tegenwoordige Zijlweg aan de Stenendijk. Dit erf staat er in het blauw op. Opvallend is dat de kerkelijke gebouwen bij hem in die kleur staan afgebeeld. Dus was het een kerkelijk erf. In later tijden toen de rooms‑katholieken vervolgd werden hielden ze in het geheim hun godsdienstoefeningen op een erve (Glading) te Streukel. Dit zou wel eens dat erf geweest kunnen zijn.

Dan zullen we nu nog de namen van enkele straten bekijken. Hendrik van Viandenstraat: genoemd naar Hendrik I van Vianden (1249‑1267). Hij heeft Hasselt stadsrechten verleend d.m.v. een stadsbrief die voor in het stadsboek wordt vermeld als iets belangrijks.

Van Brandenburgstraat: genoemd naar Allert van Brandenburg, schout van Hasselt (1578‑1613). Om terug te komen op het stadsboek. Ook als belangrijk staat er vermeld op een der eerste bladen het ambtsgebed dat hier eeuwen lang bestaan heeft voor het stadsbestuur en als zodanig wel het vermelden waard: “Onse hulpe bestae Inden name des Heeren die hemel ende eerde geschapen heft. D’heere Godt Barmhartige hemelsche vader, ghij die daer de wijsheit licht ende volheit aller dingen zijt, ende opperste Regierder end Richter der gehieler werlt. Dewijle u gelieft heft ons te beroepen tot de Regieronge ende administratie der Justitie van dese stadt unde wij alhier vergadert zijn, omme met malcanderen te beraetslagen ende resolveren op saecken betreffende uwe eere, de Justitie deser stadt, unde des gemenen landes welvaren. Wilt uns huiden und alle de tijt onser bedieninge door uwe Godtlijcke genade alzoo verlichten ende bijstaen, dat wij in onse ampt ons getrouwelijck quijten und datt wij mogen sien, verstaen, resolveren ende doen, het gene dat recht en best is und tot uwer eeren, und deser stadt, und des landes welvaren, rust ende vreede, miest dienende, sonder ter rechter ofte ter slincker hant aff te wijcken, ofte deur eenigen utherlijcken schijn van gunste haet ofte andere geneigentheiden ons te laten bewegen, ofte ons eigens inne bij eenige oorsake te vergeten. In allen onsen handel, anders nijet voor ogen hebbende, ofte doende dan dat behoorlijck end recht is. Op dat wij ten jongsten dage mit goede Conscientie voor uwen Richterstoel als Coninck der Coningen, heere der heeren, unde Richter der Richteren mogen onbeschaempt erschijnen, ende met allen umverkaren van u ontfangen het ende onses gelooffs, nementlijck onser sielen zalicheit. Dat bidden wij betmoedelijck doer uwen eenigen soene Jesum Christum. In wens name wij u anroepen mit den tegenwoordigen gebede, dat welcke hie ons geleert heft Onse Vader.”

Nieuws

14 jun 2017

Hassailt 2017

Hassailt vindt elke 5 jaar plaats in de mooie Hanzestad Hasselt in … Verder lezen…

03 jun 2017

Hanzedagen in Kampen

In 2017 organiseert Kampen van 15 t/m 18 juni de Internationale Hanzedagen … Verder lezen…

12 mei 2017

Hasselt 35 jaar beschermd stadsgezicht

Dit jaar, 2017, is het 35 jaar geleden dat de historische binnenstad … Verder lezen…

Log in